zondag, januari 16

De genen van Radja Nainggolan

Pinterest LinkedIn Tumblr +

Radja Nainggolan, kind van de koekenstad, speelt zondag voor het eerst de derby tussen Antwerpen en Beerschot. Om uit te maken wie nu werkelijk de ploeg van ’t stad is. Bij deze burenstrijd speelt het klassement nauwelijks een rol. Het gaat hier letterlijk om wie in het onderlinge duel de sterkste is. In de rangschikking is er een verschil van eenentwintig punten en zestien plaatsen tussen de twee ploegen. Je zou zeggen, het is niet moeilijk om de ploeg van ’t stad aan te duiden. Dat werkt misschien op de parking, maar niet in Antwerpen. Daar volgen ze nu eenmaal een andere logica. Je behoort nu eenmaal tot de ene of de andere clan, er is geen middenweg, je bent rood-wit of je bent mauve. Er bestaan interviews met Beerschotfans die gewoon zouden weigeren om met een rode auto te rijden, terwijl een Antwerpfan nooit zijn gezicht met een mauve handdoek zal afdrogen. Sommige Antwerpsupporters zullen ook nooit het getal dertien uitspreken, het stamnummer van Beerschot. Niet dertien dus, maar twaalf plus één. Heiligschennis voor die supporters. Pure onnozele en achterlijke kinderachtigheid voor andere mensen.

Die keuze geldt ook voor de meeste voetbalspelers zelf. Nu en vroeger. Je kunt je Vic Mees niet in een mauve truitje voorstellen, net zomin als je Rik Coppens in een rood-witte tenue zou willen stoppen. En toch zijn er spelers die daaraan ontsnappen. Bob Paverick, René Desaeyere, Jos Heyligen of Rudy Smidts. En in een recent verleden nog Patrick Goots, Cisse Severeyns, Jelle Van Damme en Wim De Decker. En vooral deze laatste speelde niet enkel voor beide ploegen, als trainer loodste hij bovendien Antwerp – na dertien jaar in het vagevuur van tweede klasse – terug naar eerste klasse.

Beerschot-ambassadeur

Maar laten we terugkeren naar de derby van dit weekend. Misschien zien we eindelijk weer Faris Haroun in actie. De Antwerpaanvoerder heeft ook een verleden bij Beerschot. Toch staat de pers bol van het verhaal van die andere speler van Antwerp die weliswaar tot het begin van dit seizoen volledig aan Beerschot werd gelinkt, maar uiteindelijk slechts als jeugdspeler op het Kiel heeft gespeeld. Hij vertrok als 17-jarige naar Piacenza. Zijn hele verdere carrière speelde zich in Italië af. Na Piacenza volgden Cagliari, AS Roma, Inter en terug Cagliari. In deze laatste stad wordt hij trouwens op handen gedragen.

Zijn transfer naar Antwerp was een totale verrassing, aangezien hij ondertussen ambassadeur voor Beerschot was geworden. Overigens een beetje een vreemde functie. En misschien al zeker als je nooit in het eerste elftal van die ploeg hebt gespeeld. In de artikels in de schrijvende pers vind je alle mogelijke details over het leven van de jonge Radja op de Antwerpse Linkeroever, waar hij in de beruchte Chicagoblok aan de Ernest Claesstraat woonde. Een appartementstoren van 25 verdiepingen waar veel nieuwe Belgen en migranten wonen die waarschijnlijk nauwelijks zullen weten wie Ernest Claes was. Van de tijd dat ik er halverwege de jaren zeventig in de buurt woonde, herinner ik me vooral de talloze razzia’s. Met andere woorden, een levendige buurt.

Containerbegrip

Dat Nainggolan op zijn minst een woelwater mag worden genoemd, heeft volgens velen te maken met zijn jeugd in die Antwerpse slaapstad. Hij weet moeiteloos de aandacht op zich te trekken. En uiteraard niet enkel door zijn voetbalspel, maar minstens evenzeer door zijn strapatsen in de Antwerpse binnenstad of zijn opgemerkte passage in Extra Time. Zijn Antwerpse jeugd zal wel meespelen in zijn vaak wat buitensporige manier van leven buiten het voetbalveld, want er wordt toch telkens weer gezegd dat hij als speler van een ploeg zeer professioneel is. Maar tegelijkertijd is zijn karakter misschien ook wel genetisch bepaald, niet enkel Antwerpse nurture, maar ook voor vijftig procent Indonesische nature. Marianus Nainggolan mag dan wel vrij vroeg uit het leven van Radja verdwenen zijn, het Indonesische bloed is wel gebleven. Het DNA van een Batak. Wat betekent dat precies? Om te beginnen, Indonesisch bloed bestaat even veel of even weinig als Europees bloed. Indonesisch is een containerbegrip voor meer dan driehonderd verschillende bevolkingsgroepen die samen 280 miljoen inwoners tellen. Vader Nainggolan behoort tot de Toba Batak, een regio op het eiland Sumatra rond het Tobameer met meer dan drie miljoen inwoners.

Ondanks het feit dat dit een kleine bevolkingsgroep is in het grote Indonesische geheel, toch zijn de Toba Batak wel degelijk bekender dan heel wat andere, soms grotere bevolkingsgroepen. En dat heeft voor een groot deel met hun verleden te maken. De Batak hebben een bloedige strijd gestreden tegen de kolonisator. Het heeft de Nederlanders heel wat moeite gekost om de Batak letterlijk onder de knoet te krijgen. Heel veel levens zijn daarvoor opgeofferd, maar tot op heden hebben de Batak, misschien meer dan andere bevolkingsgroepen, hun culturele eigenheid weten te bewaren. En als je die identiteit in clichés wil vatten, dan kom je bij een strijdvaardig en moedig volk terecht dat de autoriteit van de machthebbers in vraag stelt en een verleden van kannibalisme heeft. Het is die cocktail die ervoor zorgde dat ze zo lang aan de Nederlanders weerstand hebben geboden.

Kerstening

Vader Nainggolan heeft overigens een Westerse voornaam. Marianus. De reden daarvoor is dat de Nederlanders net dat gedeelte van Indonesië hebben “gekerstend” en dat de meeste Batak protestanten zijn in het grootste islamland ter wereld (90 % van de totale bevolking). Naast zijn Vlaamse moeder en zijn Antwerpse jeugd zal er bij Radja, wat overigens koning betekent, dus ook wel een flinke scheut Batak-DNA aanwezig zijn. En misschien maakt net dat hem zo uniek. Ook al spreekt hij geen Indonesisch en heeft hij hoogstens als toerist het land bezocht. En dat strijdersbloed zal hem ook wel in de derby tegen Beerschot van pas komen. De ambassadeur van Beerschot die zal proberen om Antwerp op de tweede plaats te houden en het Kiel nog verder in de kelder van de rangschikking te duwen. Tenzij de ratten boven zichzelf uitgroeien en toch nog een greep doen naar de titel van ploeg van ’t stad. Het mes tussen de tanden mag, maar laat het vooral een sportief duel zijn. En laten we daarbij hopen dat we deze keer op de tribunes alleen maar echte supporters zien. Met mondmasker. En niet het soort dat met rollators gooit of pyrotechnisch materiaal gebruikt.

Share.

About Author

Paul Catteeuw (1956) bekijkt voetbal vanuit de tribune achter het doel. Hij houdt zo de vinger aan de pols voor wat naast de zijlijn gebeurt en probeert om er dwars doorheen te kijken. Soms vol nostalgie, soms vol verwondering, maar meestal met een vleugje ironie.

Leave A Reply