Beste vrienden
Het is ooit anders geweest. Een WK voetbal was al weken vooraf een feest. Zeker als we meededen. Dan werd je platgeslagen met alle mogelijke gadgets en verschrikkelijke reclamestunts. Of je nu van voetbal hield of niet, je moest eraan geloven. Bier, chips, potjes mosterd … je kon het zo gek niet bedenken of er stond een kop van een speler van de nationale ploeg op, of je kreeg er een belachelijke pet of een goedkope sjaal bij. Gelukkig waren de tijden van ‘Bastos, de sigaret van de sportman’ toen al voorbij. Maar iedereen wist dat het WK in aantocht was.
Hoe anders is het nu. En hoe anders is ook de wereld geworden. Dit tornooi wordt deels georganiseerd in een land dat op verschillende fronten oorlog voert, terwijl het een ander organiserend land, zijn buur, als eenenvijftigste staat wil inlijven en zelfs de naam van het derde organiserende land wil schrappen van de grote zeearm die hen tegelijk scheidt en verbindt.
Voeg daarbij de voorzitter van de grootste sportbond ter wereld, die zich daar helemaal niets van aantrekt en alleen maar aan geld, veel geld, heel veel geld denkt. Het resultaat is dat er vooral over de nevenaspecten van het voetbal wordt gesproken. Zal bijvoorbeeld de Iraanse nationale ploeg zomaar de VS binnen mogen? Omwille van Infantino, en onbewust geholpen door Trump, heeft het voetbal allang zijn onschuld verloren. Het knaagt dat het niet altijd meer om voetbal gaat. Misschien verklaart dit alles waarom enthousiasme tot op de openingsmatch vandaag nauwelijks voelbaar is: wedstrijden lijken steeds meer een decor voor belangen die weinig met sport te maken hebben.
Nee, we zijn lichtjaren verwijderd van Football comes home en Deutschland, ein Sommermärchen. En toch zullen we met z’n allen kijken.

Sinds ik deze woorden een paar dagen geleden heb geschreven, is er nog heel wat gebeurd. Een topscheidsrechter uit Soedan mag de VS niet binnen. Iraanse supporters mogen het land niet binnen. De Iraanse ploeg mag enkel op de speeldag zelf in de VS aanwezig zijn. De grenscontroles worden aangescherpt voor een hele reeks landen, waarvan de onderdanen het land niet binnen mogen. De cover van L’Équipe is een prachtige illustratie hiervan.
En Elefantino doet alsof zijn neus bloedt. En als er al iets uit zijn neus komt, dan zijn het slechts dollars en Trumpslijm. Overigens, olifanten hebben lange neuzen, in casu slurven, daar kunnen heel wat dollars in.
Nu blijkt nog maar eens het verschil in aanpak. Indonesië zag de organisatie in laatste instantie drie jaar geleden het WK voor de U20 door zijn neus geboord, omdat het een bezwaar had tegen Israël; de VS kan zich daarentegen alles permitteren. Zodoende rijst de terechte vraag: wie organiseert eigenlijk dit WK: de Verenigde Staten of de FIFA? We moeten vaststellen dat dit ondertussen een retorische vraag is. Wie durft te beweren dat sport vrij van politiek is, is ofwel van slechte wil, ofwel ongelofelijk naïef.
Dan toch maar terug naar het voetbal. Zelf ken ik – net zoals Raf – Europese en wereldkampioenschappen enkel van televisie. Ooit nog in zwart-wit, later op een kleurentelevisie. En occasioneel op een groot scherm ergens in de buitenlucht. Maar in een stadion? Nee, nooit. En dat staat in schril contrast met François, Henk en Jacques, mijn medecolumnisten van De Witte Duivel. Jullie waren er ettelijke keren lijfelijk bij. Vaak nog in hetzelfde hotel als de spelers. Jullie zagen nog hoe JMP ternauwernood – althans volgens zijn versie – in Mexico van de verdrinkingsdood werd gered. Maar naarmate de jaren vorderden, kwamen ook jullie steeds verder van de spelers af te staan.
Ook jullie zullen nu vanuit de zetel in de woonkamer naar een overdaad aan wedstrijden kijken. Ook jullie zullen zich moeten overgeven en ergeren aan de voor- en nabeschouwingen, waarbij Jan en klein Pierke mogen komen vertellen wat hij ervan vond, niet altijd gehinderd door enige kennis van zaken.
Met andere woorden: dit wordt voor iedereen een heel ander WK. De sport mag er dan nog wel altijd zijn, het decor, de scène is compleet gewijzigd. Ik hou althans mijn hart vast.
Net daarom wil ik jullie vragen terug te keren naar die eerste keer. Hoe voelde dat? Waren jullie zenuwachtig? Of was het gewoon business as usual? Hoe bereidden jullie je toen voor? En hoe verliep de communicatie met het thuisfront, in casu de nieuwsredactie, in tijden van slecht werkende telefoons en telexmachines?
Desondanks met warme voetbalgroet
Paul