vrijdag, december 4

Ray Clemence – De beste keeper

Pinterest LinkedIn Tumblr +

Vraag honderd Liverpoolsupporters naar de beste keeper in de clubgeschiedenis en er zullen er zeker tachtig ‘Ray Clemence’ antwoorden. Hij speelde in hetzelfde tijdperk als Gordon Banks en vooral Peter Shilton, maar droeg in deze gouden periode der Engelse doelwachters toch nog 61 keer het shirt met de drie leeuwen erop. Ray Clemence was een handschoenen dragende belichaming van het succesvolle Liverpool van de jaren ’70: functioneel en betrouwbaar. Vraag zijn medespelers naar zijn kwaliteiten en de meest gehoorde opmerking luidt: hij was zo goed in het tegenhouden van ballen. Bekijk zijn statistieken en één ding valt op: Clem was er altijd. Tussen september 1972 en maart 1978 had Liverpool steeds een werkloze op de loonlijst: de reservekeepers van de club waren er alleen voor de vorm. Clemence keepte 336 wedstrijden achter elkaar. Zoals zoveel spelers was hij gekocht door Bill Shankly. Clemence werd als achttienjarige bij Scunthorpe United weggeplukt en vormde zo één van de eerste puzzelstukjes op weg naar het grote succes. Er waren andere clubs in de markt voor het kind van Skegness, een populaire badplaats. Shankly duldde evenwel geen tegenspraak toen hij de keeper kwam opzoeken terwijl hij zijn vakantiebaantje deed, het neerzetten van strandstoelen. De Schot blufte dat zijn keeper Tommy Lawrence tegen de dertig liep en aan vervanging toe was. In werkelijkheid was Lawrence 27 en in de kracht van zijn leven, maar Clemence viel voor het leugentje. Het bleek een meesterstukje van Shankly en zijn scout Geoff Twentyman. Na ruim twee jaar mentorles van Lawrence nam de jongeling de keeperstrui over en stond hem tien jaar lang niet meer af. In elf jaar tijd miste de sluitpost slechts zes competitiewedstrijden. Zijn geheim? Nou, als je zijn collega’s uit die tijd moet geloven wilde Clemence op trainingen nog weleens een snipperdag nemen. Zijn keeperskwaliteiten worden niet in vraag gesteld, maar medespelers wijzen erop dat hun keeper van hogerhand wel een ideale bouw had meegekregen. Zodoende kon hij het zich permitteren om soms op training maar wat aan te rotzooien. Soms besloot hij om een sessie lang geen bal tegen te houden, waarmee hij Kevin Keegan tot waanzin dreef. En hij wist wat-ie deed, want de twee kenden elkaar nog vanuit Scunthorpe. Soms wilde hij Keegan nog meer tot last zijn: dan deed hij tijdens de partijtjes mee als veldspeler en deed dat met het gebrek aan subtiliteit dat we kennen van keepers. De trainer moest regelmatig ingrijpen om te voorkomen dat het zou aflopen als met een wild zwiepende rugzak in een antiekwinkel. Maar bovenal prezen de spelers van Liverpool zich gelukkig met hun keeper. In verschillende biografieën valt één conclusie te lezen: de successen zouden er zonder Clemence nooit gekomen zijn. Shankly ging, Bob Paisley kwam en de rode machine draaide op volle toeren. Vooral achterin, met het hoogtepunt in seizoen 1978-79. De Reds kregen in 42 wedstrijden slechts zestien goals tegen. Op Anfield hoefde Clemence in 21 wedstrijden slechts vier keer te vissen. Chelsea brak dat record in 2005, maar hun vijftien tegengoals vielen in ‘slechts’ 38 wedstrijden. Zodoende blijft het gemiddelde van Clemence en Liverpool staan als het laagste in de geschiedenis van het hoogste voetbalniveau in Engeland. Naast die leuke onderscheiding regende het bovendien ook echte prijzen. In de jaren ’70 veroverde Liverpool vijf landstitels, een FA Cup, twee UEFA Cups en driemaal de Europacup I. Met een andere keeper in het doel had Uli Stielike namens Borussia Mönchengladbach wél de 1-1 gemaakt in de Europa Cup I-finale van 1977, en wie weet hoe het dan was afgelopen. Clemence kende fases van wedstrijden, soms zelfs hele wedstrijden, waarin de viermansverdediging voor hem het werk wel zelf afkon. Het was zijn kwaliteit om op zulke dagen dan toch alert te zijn als er toch eens een spits in slaagde om Hansen en Neal te ontglippen. Zijn alertheid was ook de oorzaak van zijn vertrek. Na het winnen van de derde Europacup I tegen Real Madrid in 1981, zat Clemence in de kleedkamer van het Parc des Princes en besloot hij dat het genoeg was geweest. Hij had een nieuwe uitdaging nodig voordat hij zijn plek zou verliezen aan Bruce Grobbelaar. Liverpool was doorgaans niet zo happig op het verkopen van spelers die nog wel wat jaren in zich hadden, maar maakte een uitzondering voor de keeper die 18.000 pond in aanschafwaarde had gekost. Clemence kwam met zijn nieuwe club Tottenham Hotspur terug op Anfield en kreeg een ovationeel applaus. Op White Hart Lane kende hij nog een aantal succesjaren, maar zijn hart lag voor eeuwig op Anfield. Hij bleef daar altijd een graag geziene gast, totdat hij in november 2020 op 72-jarige leeftijd overleed aan prostaatkanker.

 

Share.

About Author

Jan Willem Spaans is een 25-jarige Amsterdammer. Hij schrijft voor onder meer De Witte Duivel, ELF Voetbal en is auteur van drie voetbalboeken. Zijn specialiteiten liggen in het Nederlandse en het Engelse voetbal en zijn hart in het Schotse!

Leave A Reply