Bij elke match van de Rode Duivels halen we even een oude Belgische Wereldbekerheld uit ons archief. Vandaag: Alfons Van Brandt.
Alfons – Fonske – Van Brandt. Geboren op 24 september 1927 en overleden op 24 augustus 2011. Hij vergaarde in de zomer van 1954 wereldwijde roem en bevond zich op het niveau van Hongaarse, Oostenrijkse, Uruguayaanse, West-Duitse, Engelse en Braziliaanse voetbalgrootheden.
Als beginnende journalist zocht ik meer dan 35 jaar geleden mijn dorpsgenoot op voor een terugblikkend gesprek. Hij woonde in de Torenvenstraat in Kessel-Station – de Statie voor de vrienden – en zelf was ik afkomstig van de Molenstraat in Nijlen. Als kind in de vroege jaren zestig zagen we nog hoe de Heide via de Koningsbaan tot bijna achter onze tuin woekerde. De afstand Molenstraat-Torenvenstraat bedroeg minder dan drie kilometer. Voor een krant tekende ik in de lente van 1990 een aantal historische Belgische wereldbekerverhalen op. Wie die geschiedenis een beetje kent, komt dan vanzelfsprekend uit bij Alfons – Fonske, ook voor de vrienden – Van Brandt. De Rode Duivels namen in 1930, 1934 en 1938 deel aan respectievelijk de Mundial (Uruguay), Mondiale (Italië) en La Coupe du Monde (Frankrijk), maar keerden telkens van de spreekwoordelijk kale reis terug: vier nederlagen op vier wedstrijden. Dat veranderde pas tijdens het Weltmeisterschaft 1954 in Zwitserland toen België de wereld verbaasde met een zeer onverwacht gelijkspel tegen Engeland, één van de favorieten voor de eindzege.
Een kleine, tengere boerenzoon uit het Kempische dorpje Kessel ontpopte zich tot de held van Bazel op de wereldbeker van 1954. Daar neutraliseerde hij met veel lef en technische bravoure de Engelse balgoochelaar Stanley Matthews. Die gold op dat ogenblik als beste dribbelaar van de wereld. Dat leverde hem als enige Belg een plaats op het elftal van The Rest of Europe dat in 1955 in Belfast aantrad tegen Groot-Brittannië. Fons Van Brandt baatte na zijn loopbaan gedurende vijfentwintig jaar in Lier het voetbalcafé Belfast uit. Daar hing een reusachtige ploegfoto uit de oude doos: die van de fameuze Rest of Europe, waarop hij zich dus bevond tussen alle toppers van zijn tijd. Hij keek in 1990 met pijn in het hart naar het moderne voetbal dat hij veel te berekend vond.
Alfons Van Brandt: ‘Ik denk met weemoed aan de fantasierijke en sierlijke aanvalspatronen van het Oostenrijkse Wunderteam van Ernst Happel of het magische Hongarije van Ferenc Puskas uit mijn periode. Volledig gebaseerd op technische volmaaktheid.
Ik leerde zelf de stiel thuis op de boerderij, als jongste van zeven broers die in hun vrije tijd niets anders deden dan voetballen. Daar scherpte ik mijn techniek aan. Ik durfde ook oprukken en leerde een sliding uitvoeren. In het begin liep ik als jongen van den buiten onwennig rond tussen de vedetten van de nationale ploeg. Rik Coppens zorgde voor de aangename sfeer. Net als onze Engelse coach Bill Gormlie. Een onvergetelijke man. Finland en Zweden, de hindernissen op weg naar het wereldkampioenschap van 1954 in Zwitserland zouden zijn laatste opdrachten voor de nationale ploeg worden, dat was vooraf geweten. Onze aanvoerder Jef Mermans van landskampioen Sporting Anderlecht sprak namens de spelersgroep in de kleedkamer een dankwoord uit. Een ontroerend moment. Misschien lag daar onbewust de kiem voor onze kwalificatie. Finland zetten we moeiteloos opzij met 2-4. Tegen Zweden, dat op papier veel sterker was want in 1952 nog de finale van de Olympische Spelen had verloren van Hongarije, bogen we een 2-0 achterstand om in een 2-3 zege. Die overwinning gold als het mirakel van Stockholm. Een zege tegen Finland zou de terugmatch tegen de nog niet uitgetelde Zweden overbodig maken. Een simpele opdracht tot tien minuten voor tijd. Toen profiteerden de Finnen van twee monumentale Belgische blunders en van 2-0 ging het alsnog naar 2-2. Grote ontgoocheling. Zweden kwam drie dagen later. Veel volk op de Heizel, Rik Coppens in topvorm en wij versloegen hen met 2-0. De Zweedse pers riep me toen al uit tot beste linksachter van Europa.
Voetbal werd van dan af echt mijn leven. Maar het velde me ook een beetje. Ik kampte met een kapotte knie. De tol van zijn mijn acrobatisch vermogen. Ondanks mijn lenigheid – ik leerde turnen in Nijlen – werd ik geregeld genegeerd omdat ik slechts bij Lierse SK voetbalde. Niemand sprak mij voor in Brussel, maar de pers schreef mij steeds opnieuw in de ploeg. Ik viel er toch nog geregeld naast, maar meestal kregen ze dan een flinke pandoering. Zoals op de Heizel tegen Schotland met 0-5 en tegen Oostenrijk met 1-8. Uiteindelijk selecteerden ze me voor het WK 1954. We trokken zonder illusies naar Zwitserland. Tegen de Engelse en Italiaanse profs leken we kansloos. Coppens warmde me in het hotel op met stekelige opmerkingen: “Amai Fons, de Matthews zal u nogal inpakken hé. En we komen u niet helpen, hé. Dat zal wat worden seg.” En het werd wat. De match van mijn leven zelfs! Matthews dribbelde zich murw op mij. Hoe ik hem opving? Doodgewoon: laten komen. Niet als een gek onbesuisd aanvallen, want dat lokte hij graag uit. Ik liep meer achteruit dan vooruit. De stand luidde 2-2 na negentig minuten. Bij een gelijkspel schreef het reglement twee keer verlengingen van vijftien minuten voor. We hielden de Engelse profspelers toch onder controle, met een spectaculaire 4-4. Het eerste gelijkspel van België kwam er dus pas bij de vierde wereldbekerdeelname. Die partij had echter zoveel van onze krachten gevergd, dat we op ons tandvlees zaten voor de tweede wedstrijd. Een paar dagen later moesten we weer de wei in met verschillende geblesseerde spelers. De Italianen blonken in hun zijden uitrusting, wij droegen wollen truien bij een temperatuur van 35 graden. De bond had geen rekening gehouden met warm weer en we verloren kansloos met 4-1. Ik dank aan Bazel mijn uitverkiezing voor het elftal van The Rest of Europe in Belfast in 1955. Opnieuw tegen Stanley Matthews, zelfde scenario. Hij kreeg opnieuw geen vat op mij. Ik werd als een held onthaald in Lier. Wat een ontvangst op het stadhuis! Ik zal dat nooit vergeten. Ze reden met onze familie in een dure open Amerikaanse sjieke wagen door de stad. “Da’s eens iets anders dan een mestkar”, lachte mijn vader. En volk! Wat een massa! Meer dan bij het bezoek dat de koning later eens bracht aan Lier. Nooit gezien! En vervolgens won ik dat seizoen ook de tweede editie van de Gouden Schoen.’
Hij was als linkerflankverdediger zijn tijd ver vooruit: aanvalslustig, scherp gevoel voor sliding en briljante techniek. Zijn spel kenmerkte zich ook door acrobatische lenigheid. Toch werd hij vaak over het hoofd gezien door het selectiecomité – zoals dat toen werd genoemd – dat de nationale ploeg samenstelde omdat hij ‘slechts’ bij Lierse SK voetbalde: van zijn achttiende in 1945 tot zijn drieëndertigste in 1958. Toen begaf zijn knie het. Hij vertoefde vijf seizoenen in tweede afdeling en haalde toch achtendertig selecties. Men roemde hem als ‘de beste linksachter van Europa’ en dat ondervond ook de grote Stanley Matthews. En die best linksachter van Europa in het midden van de jaren vijftig van de twintigste eeuw was dus afkomstig van Kessel-Station. Alfons – Fonske – Van Brandt.