Een dagelijkse serie van 31 afleveringen…Iconen van het WK Voetbal 1920-2026 uit het gelijknamige boek. Vandaag: Gordon Banks; 30 december 1937 – 12 februari 2019.
Brazilië – Engeland 1-0, groepsfase Mundial Mexico 1970, 7 juni 1970, Estadio Jalisco Guadalajara
Gordon Banks. Hij maakte Engeland wereldkampioen op Wembley in 1966: slechts drie tegendoelpunten in zes wedstrijden. Hij voerde in 1970 de magistraalste zweefsprong uit de geschiedenis van de wereldbeker uit met zijn parade op de kopbal van Pelé. De save kreeg een vereeuwiging in een schilderij. De Britse pers parafraseerde hem als The Banks of England. Ze dichtte de doelman de soliditeit toe van het machtigste instituut ten tijde van het Britse wereldimperium. Banks, drumde tussen 1963 en 1972 in 73 interlands alle concurrentie weg. Het grote publiek aaide hem liefkozend als Fernandel, naar de Franse komiek. Omwille van de fysieke gelijkenis. En omdat Banks vaak lachte in het openbaar, de tanden bloot. Achter de vriendelijke façade zat een vat vol vraagtekens. Zorgvuldig zelfvertrouwen in het doel, een treurende twijfelaar in het leven. Hij bestudeerde the art of goalkeeping. Geen soulman,geen suspensemens, geen tijger, geen zwarte panter. Wel een obsessieve hang naar perfectie met vaste gebruiken. Vóór de wedstrijd trok hij zich in een hoekje van het toilet terug. Het gezegde ‘alle keepers zijn gek’ maakte hem boos. Hij analyseerde, nuchter, koel, beredeneerd en vermeed alle overbodige show. De denkende doelman, Rodin in keeperskleding.
En toch was zijn onverklaarbare redding op de vallende bal van Pelé puur gevoelsmatig. Want vanuit een wiskundige lijn bleek de redding eigenlijk niet uitvoerbaar.
Hij zou daar later altijd laconiek over doen:
‘Die redding op het kopbal van Pelé was de beste die ik ooit heb gemaakt. Ik had geen idee hoe beroemd die zou worden. In het begin besefte ik niet eens dat ik hem had tegengehouden. Ik hoorde Pelé ‘goal’ roepen terwijl hij kopte, gevolgd door een enorm, bijna oorverdovend, gejuich. Hoewel ik er nog een hand tegen kreeg, dacht ik dat hij had gescoord.
Toen ik overeind kwam, probeerde ik er zo nonchalant mogelijk uit te zien, alsof ik wilde zeggen: Dit soort reddingen maak ik wel vaker. En ik verdedigde de hoekschop, zoals steeds.’
Hij kreeg niets cadeau in het leven. Zijn familie leefde tussen de slierten van rook van de ellendigste industriewijk van Sheffield. Op zijn vijftiende had hij zich reeds neergelegd bij een toekomst in de schaduw van de mijn en een proletarisch voetbalperspectief. Hij sukkelde letterlijk in het spel. Op zaterdag slenterde hij doelloos rond in de parken tot het toeval hem een handje toestak. Het straatelftal van Millspaugh vroeg hem om hun zieke keeper te vervangen. ‘Ik voelde me even gelukkig als bij mijn selecties voor het Engels elftal’, verklaarde hij later. Hij mocht blijven en veronderstelde als vanzelfsprekend dat het voor de rest van zijn leven zou zijn. Derde divisieclub Chesterfield scoutte scherp, maar de bescheiden doelman vermoedde alweer een eindstation. Na een prachtige prestatie in de FA Youth Cup Final op Old Trafford hapte Leicester City meteen toe. Dankzij zijn keeperskunsten baanden The Foxes zich in 1961 en 1963 een weg naar Wembley, maar botsten op Tottenham Hotspur en Manchester United.
Van dan af zou de moeder van alle stadions de miskende Banks het gevoel van geborgenheid geven dat hij altijd had gemist. Wembley werd zijn thuishaven. Hij keepte er zich naar de wereldtop, terwijl de grote clubs hem negeerden. In 31 thuiswedstrijden met Engeland hield hij veertien keer de nul.
Voor hem was elke wedstrijd met het nationale team een vlucht uit de grijze realiteit van Leicester, waar hij hardnekkig het bestuur over zijn salaris bleef interpelleren omdat dat slechts de helft bedroeg van collega-internationals. Banks beleefde zijn hoogtepunt tijdens de World Cup van 1966: onpasseerbaar gedurende meer dan vijfhonderd minuten. Pas in de halve finale boog hij voor de eerst (2-1, Sovjet-Unie). In de finale tegen West-Duitsland (4-2) toonde hij opnieuw zijn wereldklasse. Na de finale ontfermde hij zich uitgebreid over de huilende West-Duitse doelman Tilkowski, een ritueel dat hij reserveerde voor verslagen collega’s.
Na de World Cup verkoos Leicester Cityde jonge wolf Peter Shilton en beurde veel geld voor de gekrenkte Banks. Omkijkend in wrok won hij voor Stoke City zes jaar later de League Cup, de enige trofee uit de historie van de club. Op het einde van zijn loopbaan versierde hij nog een transfer naar Fort Lauderdale in de clowneske Amerikaanse Soccer League. Hij voelde er zich geen moment thuis. In 1977 keerde hij terug, maar raakte op enkele verwaarloosbare opdrachten bij nietige clubjes na nergens aan de bak. Ondanks 73 wedstrijden met Engeland en slechts 57 tegengoals. Engeland leed onder The Banks of England amper negen nederlagen. Pelé loofde hem als één van de beste doelmannen van de twintigste eeuw. Desondanks keek hij tot het einde van zijn leven naar zichzelf vanuit een minderwaardigheidsgevoel. Als een treurende twijfelaar en ascetische atleet. De denkende doelman, de enige van wie een intuïtieve wereldbekersave tot schilderkunst werd verheven. Gordon Banks.
Uit: Iconen van het WK Voetbal 1920-2026 – Raf Willems – Uitgeverij Best in Books