Het is onze derde avond in Zuid-Afrika. In Sandton, een chique buitenwijk van Johannesburg vol grote kantoorgebouwen en dure hotels, zijn François Colin en ik uitgenodigd door Louis de Vries, de ex-manager van Antwerp en voormalig voetbalmakelaar, om iets te gaan eten. De Vries consulteert een paar buitenlandse clubs en is vicepresident van Waegener Partners dat een medisch en als revolutionair omschreven toestel op de markt brengt om blessures sneller te laten genezen. Hij zal er later een persconferentie over geven.
Het wordt een heerlijke avond, in een typisch Zuid-Afrikaanse sfeer, met eerst oesters en dan een verrukkelijke steak. Ver weg zijn de problemen die dit land teisteren en de aanloop naar dit WK overheersen. Er werd niet gesproken over de schoonmaakbeurt die werd doorgevoerd, waarin zwervers, bedelaars en straatkinderen die in schrijnende armoede onder de blote hemel leven uit het straatbeeld werden weggeveegd en honderden kilometers verder werden gedeporteerd, als paria’s van een ontwrichte maatschappij.
The Kinks
De Vries praat met vaderlijke trots over zijn dochter Ella, de eerste vrouwelijke grensrechter in eerste klasse. En hij diept een waaier van memorabele herinneringen op, praat over de onvoorspelbare grillen van Eddy Wauters en over zijn verleden als organisator van popconcerten. Sterke verhalen over The Kinks en de Spencer Davis Group, over The Pebbles en Earth and Fire, het passeert allemaal de revue. Het is pure nostalgie. Ook voor de verslaggevers die dwepen met muziek uit de jaren zestig en zeventig.
Voor het restaurant wordt er gedanst en gezongen. Nog zestien uur en het WK begint. De spanning stijgt, de supporters kolken, het geel en groen overheerst, alsof iedereen zich wil voeden aan de bron van de vreugde. Het is het beeld van een kunstmatige natie die met veel zorg de rauwe en ontluisterende werkelijkheid probeert te verbergen.
De knappe Rensa
Nu staat het voetbal centraal en velen hadden ons gewaarschuwd: de openingswedstrijd van het WK zal leiden tot een zelden gezien verkeersinfarct. Alle toegangswegen rond Soccer City worden afgesloten. Journalisten kunnen via shuttles het stadion bereiken, maar het zal lang, irriterend lang duren.
Maar Louis de Vries, echt de welwillendheid in persoon, weet raad. Hij stelt ons voor die dag zijn chauffeur ter beschikking, een knappe en uiterst charmante vrouw. Ze heeft geen officieel parkingbewijs. ‘Heb je een persbadge? Daarmee red ik het wel’, zegt Rensa. Al snel blijkt het te gaan om een dame met pit. Ook zij zit een tijdje vast in de files, maar via sluipwegen, langs koude en vervallen flatgebouwen die aan het vroegere Oostblok doen denken, doemt na anderhalf uur plots in de verte Soccer City op. Wat er dan gebeurt, hebben we in een lange carrière nooit meegemaakt. Rensa passeert wel dertig controles, zwaait met de persbadge, zegt dat ze journalisten zo snel mogelijk naar hun werkplaats moet brengen. De ene politieagent kijkt al wat grimmiger dan de andere, de ene discussie sleept al wat langer aan dan de andere, maar Rensa tovert haar charme boven.
We willen het laatste stuk wel te voet afleggen, maar ze maakt er een erezaak van en zet ons pal voor de persingang af. Nog tweehonderd meter en we zijn in de perszaal. Het pleit allemaal niet voor de extreme veiligheidsmaatregelen die in en rond het stadion waren aangekondigd. Collega’s die met de persbus zijn gekomen, vertellen later dat ze over een traject van tien kilometer vijf uur hebben gedaan.
Rillen van de kou
Veel minder gecompliceerd is het om, anderhalf uur na de wedstrijd, met de shuttle onze auto te bereiken en naar Pretoria te rijden, drie weken lang ons basiskamp tijdens het WK. Het is een rit van 50 kilometer. We zien, het is dan na middernacht, een eenzame jogger en passeren een kleine bestelwagen. In de laadruimte zit een vrouw met twee kleine kinderen. Onder de blote hemel. Ze rillen van de kou.
Maar veel schokkender is het beeld dat we eerder zagen: op de hoek van een straat lag een man te slapen, gehuld in een dikke jas, met een muts op het hoofd. Ze hebben vergeten hem uit het straatbeeld weg te vegen. Het waren niet de eerste schrijnende contrasten waarmee we tijdens ons verblijf in Zuid-Afrika werden geconfronteerd. Ze liepen als een rode draad doorheen dit toernooi. Van de eerste tot de laatste dag. De vrijheid en blijheid die in het straatbeeld te zien vielen ten spijt, het was alsof mensen zich emotioneel wilden bevrijden. Dat ontroerde, maar even later doken de rauwe townships op, waar mensen op vuilnisbelten leven en niemand uitzicht heeft op een toekomst. Of je dat nu voor de eerste of dertigste keer ziet, telkens weer werd je stil van die labyrinten zonder hoop.