zaterdag, mei 16

Toen Liverpool FC in de finale naar Club Brugge kwam … 19 mei 1976

Pinterest LinkedIn Tumblr +

Terwijl Club Brugge deze week probeert de twintigste landstitel te behalen, ‘vieren’ we de vijftigste verjaardag van het feit dat Liverpool FC in de UEFA Cupfinale naar Club Brugge kwam. Het reglement schreef voor dat in de voorloper van de Europa League de finale met heen- en terugmatchen werd beslist. De UEFA Cup had een sterk statuut, want de nummers twee, drie en vier van de topcompetities namen deel. In 1976 versloeg Liverpool FC, destijds de sterkste ploeg van Europa, op Anfield Road Club Brugge met 3-2. Met dank aan een scheidsrechterlijke dwaling. In Olympia, zo werd het stadion destijds genoemd, bleef Club ten onrechte steken op een 1–1-gelijkspel. Door die vervloekte binnenkant van de paal. Toen Liverpool FC naar Club Brugge kwam op 19 mei 1976 … was de blauwzwarte aanvalsmachine van trainer Ernst Happel het betere elftal. Dat gaf zelfs de legendarische LFC-coach Bob Paisley toe. Voor mijn pas verschenen boek Clubtrouw. Blauw-zwarte iconen over bluv’n en goan (Lannoo) voerde ik hierover een nostalgisch gesprek met Julien Cools, scorende middenvelder op Anfield Road.

We openen het gesprek met een reeks vrolijke mijmeringen over de Happeliaanse gloriejaren 1974-1978. En van die periode was Julien Cools (1947) de blauwzwarte Gouden Schoen. De middenvelder met de dribbel op versnelling en het scorende vermogen tijdens Europese topduels. Veel meer dan de ‘marathonman’, zoals hij werd genoemd omwille van zijn loopvermogen. Hij had de natuurlijke schaarbeweging van de linksachter en maakte het machtige middenveld van Ernst Happel.

Alle Europese topclubs pasten zich aan Club aan

 Met naast dat loopvermogen zijn infiltraties in een combinatie van snelheid en techniek. Hij koos en creëerde de diepte met passeerbewegingen, zowel over de flank als door het centrum. Hij noemde Ernst Happel de beste coach die hij heeft gekend.

Julien Cools: ‘Die dwong respect af door zijn norsheid. Altijd van Scheiße en kein Geloel. Zeer speciale man. We durfden hem amper benaderen en toch maakte hij deel uit van ons collectief. Na de training stonden we met veel lawaai onder de douche, tot hij dan kwam aanwaggelen met zijn papperig lijf. Dan werd het muisstil, maar tegelijk proestten we het uit. Zijn trainingsmethoden baarden opzien: zeer intensief en gevarieerd, op conditie en techniek, bijna steeds met de bal. Snelheid, wedstrijdvorm, spintoefening. Ongezien in België. Zijn eerste trainingskamp? Keihard. Ze konden me nadien door een sleutelgat trekken. Ik woog nog zestig kilogram. We mochten van Happel even op zwier gaan, maar ik bleef op mijn kamer wegens te ziek. Zijn devies? Nooit aanpassen aan de tegenstander. Altijd vertrekken van de eigen kracht: aanvallen, zelfvertrouwen, bluf! Offensieve veldbezetting, positie overnemen, snel voetballen. In één tijd: maximaal twee tot drie keer de bal raken. Voorheen liep ik met dat bal, dat moest ik afleren. De tegenstanders speelden tegen ons, niet omgekeerd. Alle ploegen pasten zich aan ons aan. Wij nooit aan hen. Zelfs niet in Europa. Zonder schroom trokken we ten strijde tegen internationale topclubs: Real Madrid, Liverpool FC, Borussia Mönchengladbach, AC Milan, AS Roma, Ipswich Town, Atletico Madrid, Juventus Turijn … We stonden in de grote voetbaltempels en deden ons ding. In ons eigen Olympiastadion: elf zeges, één draw, één zeer onverdiende nederlaag. En maar liefst negen matchen zonder tegengoal. Elke thuismatch begonnen we als een pletwals. We dwongen onmiddellijk een corner af en het publiek veerde op en sleurde ons mee in zijn enthousiasme. Geen moment van adempauze, pompen of verzuipen. Na elke Europese zege vierden we feest. Minuten na het eindsignaal stonden we nog op het veld te dansen voor duizenden zingende supporters.’

Een twaalfpassendans op Anfield Road

Scoorde Club ooit prachtiger en opwindender in Europa? Welnee! Na een twaalfpassendans kruiste Julien Cools hem met zijn linker in de uiterste bovenhoek achter de befaamde Ray Clemence, de keeper van de Engelse nationale ploeg. Hij komt meteen op dreef als ik vraag naar zijn beste herinnering in het blauw-zwarte shirt.

Julien Cools: Ik maakte in zes seizoenen tussen 1973 en 1979 bij Club als middenvelder 44 doelpunten. Het mooiste bewaar ik voor altijd in mijn hoofd. Ik zie het nog zo gebeuren: voor de beroemde Koptribune op Anfield Road. In een Europese finale tegen Liverpool nog wel. Na een prachtige veelpassenaanval trapte ik hem in de vlucht met links diagonaal in de winkelhaak: 0-2!

Helaas liet Club zich in vijf dolle minuten uit het lood slaan en hikte het uiteindelijk tegen een 3-2 nederlaag aan. Veertien dagen later, zo schreef het scenario van de UEFA Cup-finale dan destijds voor, volgde de terugwedstrijd. Een zege met 1-0 of 2-1 zou het “Sierijo, sierijo, sierijo, geef ons de beker en Brugge wordt zot” laten weerklinken op het Olympiastadion, dat met 32.000 kijkers tot de nok vol zat. Het dwaze lot besliste er anders over.

 Onverdiende nederlaag in UEFA Cupfinale

‘That second half was the longest 45 minutes of my life.’ Dit waren de woorden van de legendarische Bob Paisley, coach van Liverpool FC. Hij sprak ze uit na de terugwedstrijd van de UEFA Cupfinale op 19 mei 1976 in Brugge. Club Brugge – Liverpool FC 1-1, totaalscore 3-4. Totaal onverdiend, voeg ik er wel aan toe. Verwijzend naar het praatje van Paisley, maar ook naar het neutrale UEFA-verslag: ‘Club Brugge needed to score again to keep the tie alive, and pushed their players forward in search of an equaliser. This forced Liverpool to pull all their players, except Kevin Keegan, into defensive positions to try to preserve their lead.’

Met andere woorden: Club Brugge drukte gedurende de hele tweede helft Liverpool voor het eigen doel en Bob Paisley – zes keer landskampioen en drie keer winnaar Europa Cup der Landskampioenen tussen 1975 en 1983 – noemde dat de moeilijkste 45 minuten van zijn leven. En toch ontglipte de UEFA Cup onze Club. Onder meer door een scheidsrechterlijke dwaling bij de rode tegentreffer. Libero Edi Krieger trapte de bal sierlijk met één been in de lucht hangend – zoals alleen hij dat kon –  weg en kreeg een lachwekkende onrechtstreekse vrije trap tegen. De muur opende zich te snel en Kevin Keegan – Ballon d’Or 1977 en 1978– scoorde. Enkele minuten na de pauze versloeg Raoul Lambert doelman Clemence, maar zijn bal strandde op de binnenkant van de paal.

Het grote onrecht in Liverpool

Julien Cools sakkerde vooral over de heenmatch: toen gaf Club in de eerste helft voetballes op Anfield Road. En tekende hij dus voor het schoonste Europese doelpunt uit de geschiedenis van Club: na een ongezien recital met een tikitakadimensie van twaalf Brugse baltoetsen – waarbij zeventig meter zonder een vijandige voet van The Reds werden overbrugd – nam Cools de bal volop op de linkerschoen en liet Clemence kansloos: 0-2. Tegen dus het antieke decor van Anfield Road en ten aanschouwe van de beroemde Kop Stand.

In de tweede helft nekte het grote onrecht Club. Dat onrecht mag  een halve eeuw later opnieuw opgerakeld worden: bij een 2–2-stand viel linksbuiten Steve Heighway over het been van rechtsachter Alfons Bastijns. Die beging de fout buiten het strafschopgebied, maar Heighway duikelde opzettelijk en sluw binnen. Ten onrechte penalty en 3-2. Even een lesje toenmalige reglementen: 2-2 uit in Liverpool en 1-1 thuis in Brugge, en dus een 3-3 opgeteld, zouden Club aanwijzen als overwinnaar vanwege de uitdoelpunten. Het mocht dus niet zijn, maar deze arbitrale blunder kostte ons de UEFA Cup.

En dat zit Julien Cools tot vandaag dwars. Het blijft hem opwinden, in zijn woning tussen de steeds de tijd verstillende bossen, als hij deze avonden opdiept uit zijn memorie: ‘In Liverpool scheurden onze spitsen Van Gool en Lambert nog een paar keer door hun verdediging. Met kansen op 0-3, ze werden nipt gemist. In Brugge stonden we na afloop ontroostbaar te staren op het veld, in lange witte badjassen zoals dat toen de gewoonte was. We weenden zelfs, omdat we begrepen dat Club ten onrechte naast de beker greep. Ik kijk dus met een dubbel gevoel op de finales van 1976 terug. Enerzijds met enorme trots omwille van onze prestatie en mijn mooiste doelpunt. Anderzijds met grote ontgoocheling, omdat we bestolen werden door de scheidsrechter, maar vooral omdat we de betere waren van het grote Liverpool FC’.  En dat bewezen de woorden van de Engelse coach Bob Paisley, we zetten ze nog maar eens extra in de verf: ‘That second half was the longest 45 minutes of my life.’

Share.

About Author

Leave A Reply