Voor journalisten die een wereldbeker coveren is er heel wat veranderd. In 1982 trok ik nog met mijn kleine Olivetti naar Spanje. Juist, een tikmachine. In Elche maakten we met iets heel nieuw kennis: de fax. Tegenwoordig heeft zowat iedereen een fax in huis en velen zullen het iets van vroeger vinden, maar toen was het helemaal nieuw. Infotec, heette de machine en de bak was ruim een kubieke meter groot.
We vonden het geweldig. Tot dan moesten we onze teksten telefonisch doorsturen. Dat wil zeggen dat je de tekst aan de telefoon moest voorlezen. Op de redactie werd die op een bandje opgenomen en uitgetikt. De lijn was niet altijd loepzuiver en soms vond je nadien zinnen in je verhaal die er helemaal anders uitzagen dan bedoeld. Het ergste wat ik ooit meemaakte, was bij een Europese bekermatch van SK Beveren in Rijeka (Kroatië, toen nog Joegoslavië). De lijn was zo slecht dat ik verplicht was letter per letter door de hoorn te roepen. Aan de andere kant zat een slachtoffer, wielercollega André Vanheede, dat letter voor letter in te tikken.
Met de komst van de fax kon er niet veel meer misgaan. In Groot-Bijgaarden arriveerde een soort foto van wat je ingetikt had. Daar zat al wel eens een storing in, maar dat was uitzonderlijk.
De fax verdween echter al vrij snel uit de perszalen. Al voor het WK ’86 in Mexico kregen we onze eerste laptop, een soort computer. Ook van Olivetti en op het schermpje kon je maar vijf regels zien. Dat scherm was ook niet verlicht. Ik herinner dat iemand ergens in Oost-Europa na een match eens wat kranten in brand stak om te kunnen nalezen wat hij geschreven had.
Jackpot
Mexico was het begin van het computertijdperk. De afdeling logistiek van de krant vond het veiliger om de toestellen van Mark Dheedene en mij te verzenden. Ook al wogen ze twee keer niks en hadden we ze gemakkelijk kunnen meenemen.
De toestellen stonden dagenlang te wachten bij de douane om ingeklaard te worden. Het WK was al ruim een week aan de gang toen de machientjes in Toluca arriveerden. Geen drama, want de collega’s van de andere kranten waren er niet in geslaagd hun teksten door te sturen. Bij mijn eerste poging lukte het echter meteen. Fier als een gieter en blij als een kieken naar de bar om het mirakel aan te kondigen. Het was de enige keer dat ik een tekst doorgestuurd kreeg.
Vier jaar later werkten we met toestellen die al wat begonnen te gelijken op wat we nu een laptop noemen. Mobiele telefonie bestond echter nog niet (het EK van 1996 in Engeland was het eerste toernooi waar ik een gsm bij had) en het doorsturen van teksten stond gelijk met op de jackpot spelen. We kregen een soort plank in bakeliet mee met twee rubberen toppen op. Daar moesten we de hoorn van de telefoon stevig in drukken en smeken en bidden dat het werkte.
Kedeng, kedeng
Iedere keer was het weer spannend: is de tekst gearriveerd of niet? Op het WK 1998 logeerden we in de buurt van Lyon, waar de Rode Duivels logeerden. Ik wilde, als enige Belg, naar de openingsmatch tussen Brazilië en Schotland in Parijs, in het nagelnieuwe Stade de France. De match werd rond zes uur, dacht ik, afgetrapt. Ideaal dus om nog met de trein terug te keren naar de Gare Part-Dieu in Lyon, waar mijn auto wachtte.
Ik slaagde er echter maar niet in mijn tekst doorgestuurd te krijgen. Geen drama, want door het vroege aanvangsuur werd de krant pas enkele uren na het einde van de match gesloten. Het verslag geraakte nog net op tijd binnen, maar in Paris Gare de Lyon was de laatste trein naar Lyon vertrokken.
Ruim na middernacht vertrok er gelukkig nog een nachttrein. Een trein die vooral de post uit de hoofdstad moest brengen naar ieder boerengat tussen Parijs en Lyon. Juist, kedeng, kedeng. In honderd bochten zitten draaien om een beetje slaap te vatten voor ik rond ontbijttijd in Lyon arriveerde.
HIjskraan
Dat van die bochten mag je letterlijk nemen. Het resultaat was dat ik dagenlang niet kon bewegen. Rugpijn. Om in de auto te stappen had ik een hijskraan nodig. ’s Nachts deed ik geen oog dicht van de pijn. Het was nog erger dan in die verdomde trein.
Dit kon niet blijven duren. Voor de derde match van de Duivels, tegen Zuid-Korea, moesten we terug naar Parijs. Na de match ben ik met de trein naar huis teruggekeerd. Voor minder dan 24 uur. Mijn vrouw had geregeld dat ik meteen naar het ziekenhuis kon voor een scan en dan naar kinesist Luc Van Ranst, toen nog de kinesist van Antwerp en een man met magische handen. De eerste behandeling voor een hernia. En dan weer met de trein naar Lyon. Waar de Rode Duivels aan het inpakken waren. Even toch vroeger thuis dan de spelers.