vrijdag, januari 28

Sportclubs met jeugdopleiding moeten samenwerken met een arts – Marc Geenen

Pinterest LinkedIn Tumblr +

De recentelijk gepubliceerde, ontluisterende studie over grensoverschrijdend gedrag in de sport[1] toont aan dat sportorganisaties harder moeten inzetten op medische begeleiding. De Vereniging voor Sport- en Keuringsartsen wijst erop dat elke gesubsidieerde sportfederatie in Vlaanderen decretaal verplicht is structureel samen te werken met een arts. De meeste federaties doen dat, maar niet allemaal. Los daarvan zouden ook sportclubs een link met een (sport)arts moeten hebben.

MEDISCHE BEGELEIDING NOG LANG NIET OPTIMAAL

De Europese studie waar ook onderzoekster Tine Vertommen van de UAntwerpen toe bijdraagt, stemt tot nadenken. Haast drie van de vier Belgische sporters wordt het slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag. Dat is onthutsend.

Het onderzoek definieert vijf vormen van zulk gedrag en één daarvan is verwaarlozing, onder meer ‘het gebrek aan adequate medische zorg’. Dr. Tom Teulingkx, sportarts en voorzitter van SKA: “Blessures zijn een heel belangrijke oorzaak waardoor jonge sporters afhaken. In al te veel gevallen worden geblesseerde sporters medisch niet optimaal of zelfs helemaal niet begeleid. Zo wordt de revalidatie vaak beperkt om toch maar snel opnieuw te kunnen presteren. Dat veroorzaakt ellende, die vaak had kunnen worden voorkomen.”

FEDERATIES

SKA stelt vast dat nog niet alle sportfederaties duurzaam samenwerken met een arts. Bij voorkeur stellen federaties een multidisciplinair team samen dat clubtrainers opleidingen en andere tools aanreikt om de medische begeleiding van hun sporters te verbeteren.

CLUBS

Daarnaast pleit SKA ervoor dat ook de sportclubs zelf – en zeker clubs met een jeugdopleiding – een link leggen met een (sport)arts die vertrouwd is of vertrouwd raakt met de sport, de club en de sporters in kwestie. Clubs hoeven geen arts in dienst of onder contract te nemen, maar zouden wel enkele basisafspraken moeten maken met een arts uit de buurt die regelmatig langskomt of aanspreekbaar is om de clubsporters preventief en curatief te begeleiden.

 Concrete voorbeelden van de baten die dat kan opleveren:

1.     Snellere en betere opsporing van tieners met een groeigerelateerd sportmedisch probleem, zoals de ziekte van Osgood-Schlatter.

2.     Betere revalidatie na een sportblessure, net zo goed en net zo lang dat de sporter er uiteindelijk beter aan toe is dan vóór de blessure. Nu gebeurt het nog te vaak dat (jonge) sporters na een blessure onder druk van eigen ambitie of van trainers te snel de draad weer opnemen, waardoor ze herhaaldelijk hervallen en in een sukkelstraatje belanden

3.     Als een sportclub een link heeft met een arts, dan kan ze allerlei preventieve of gezondheidsbevorderende initiatieven nemen, zoals infosessies of workshops over gezonde voeding, de risico’s van supplementen en pijnstillershet oefenen van hartmassage, de verklikkerlichten van overbelasting en zo voort.

 4.     De arts kan eventueel een neutraal aanspreekpunt zijn voor grensoverschrijdend gedrag in het algemeen.

Tom Teulingkx: “Volwassen sporters zijn weerbaarder en kunnen hun lot doorgaans in eigen handen nemen, maar onze sportende kinderen en tieners mogen we geen deskundige medische zorg of begeleiding ontzeggen. Doen we dat wel, dan is dat – zoals de studie van Tine Vertommen aangeeft – inderdaad een vorm van verwaarlozing.”

Extra informatie: marc.geenen@sportartsen.be

Share.

About Author

Regelmatig publiceren we artikels van eenmalige gastschrijvers. Ook zin om een artikeltje te plegen? Neem contact op met info@dewitteduivel.com en bezorg ons jouw tekst.

Comments are closed.