Een dagelijkse serie van 31 afleveringen…Iconen van het WK Voetbal 1920-2026 uit het gelijknamige boek. Vandaag: Fritz Walter; 31 oktober 1920 – 17 juni 2002.
West-Duitsland – Hongarije 3-2, finale Welmeisterschaft Zwitserland op 4 juli 1954, Wankdorf Stadion Bern
Fritz Walter, der Fritz. Hij regisseerde de renaissance van het West-Duitse voetbal in de jaren vijftig. Hij was het eerste écht Duitse voetbalidool, dat wereldwijd respect afdwong.
Op 8 mei 1945, de laatste dag van de Tweede Wereldoorlog, zetten de Amerikanen de Duitse soldaat Fritz Walter gevangen in Bohemen. Ze leverden hem over aan de Russen die hem richting Siberië stuurden. Hij belandde op een goederentrein met onbekende bestemming. Voor Walter begon de gevaarlijkste en meest bizarre tocht van zijn leven naar de kampen in de Russische toendra. Op een avond arrangeerden kampbewakers een wedstrijdje met de gevangen.
De bewakers bedisselden dat hij hun team mocht komen versterken en zijn vrijheid kreeg als hij voor hen de wedstrijd zou winnen. Een simpel voetbalpartijtje hield hem uit de stalinistische strafkampen van de Sovjet-Unie. Op die wijze bleven hem dus bittere maanden van gevangenschap in de kale, koude vlakten van Rusland bespaard: ‘Ik kreeg mijn vrijheid omdat over de grenzen van oorlog en vijandschap heen mensen in de kracht van de sport geloofden’, memoriseerde hij. De barre terugtocht van de hoop – vermomd als ‘Fransman’ – bracht hem via Boedapest en Wenen naar de geliefde heimat. In oktober 1945 arriveerde hij te voet en zonder bezittingen in Kaiserslautern. De emoties werden hem te machtig toen hij zijn kapotgeschoten geboortestad en de hongerende mensen zag.
Fritz Walter werd na de Tweede Wereldoorlog de stimulerende factor voor het succes van FC Kaiserlautern, een van oorsprong liberaal georiënteerde voetbalvereniging.
In de periode van 1946 tot 1957 reeg hij tien van de twaalf edities van de Oberliga Südwest aan zijn gordel. Dat leidde tot landskampioenschappen in 1951 en 1953 en verloren finales in 1948, 1954 en 1955.
De Betzenberg werd gedurende een decennium het voetbalmiddelpunt van de jonge Bondsrepubliek. Die Roten Teufel, de troetelnaam van de FC K., wisten het minderwaardigheidscomplex van de streek uit. Het technische en frisse voetbalspel van Fritz Walter en zijn ploeg lokte in heel Duitsland tienduizenden toeschouwers naar de stadions. Het betekende ook een breuk met het fysieke gebeuk van het nationaalsocialistische era. De streek rond de stad van Walter ‘veramerikaniseerde’ langzaam.
Intussen had de bondscoach een masterplan bedacht om de wereldtitel te winnen in Zwitserland. Ondanks de aanwezigheid van de ‘Magical Magyars’, de onklopbare Hongaren, in de eigen poule. Van een duel op het scherp van de snede was geen sprake: 8-3. Hij strooide zand in de ogen door niet met zijn beste elftal aan te treden. Na een dubbele zege tegen Turkije (4-1 en 7-2 in de testmatch) werd de Mannschaft in de kwartfinale gekoppeld aan favoriet Joegoslavië, verliezend finalist van de Olympische Spelen in 1952. Fritz Walter klom boven de rest van het veld uit. Hij bood een van zijn beste partijen in het nationale shirt en sloeg ondanks zijn 34 jaar met dirigentenstokje om het tempo aan te geven. De middenveldstrateeg hield de bal in het team, op het ogenblik dat Joegoslavië dreigde. Drie minuten counterde Rahn de zwart-witten met de 2-0 naar de halve finale. Daar toonde Walter zijn ware klasse. In de tweede helft degradeerde hij het Oostenrijkse Wunderteam tot een figurant: van 1-0 naar 6-1. Walter had een aandeel in de elk van de zes doelpunten, hij trapte zelf twee strafschoppen binnen. In vijf minuten klom de stand van 2-1 naar 4-1.
In de finale voltrok zich het wonder, ‘das Wunder von Bern’: de Mansschaft van Fritz Walter keerde de vroege 2-0 achterstand om naar 3-2. Tranen over West-Duitland! 4 juli 1954 werd een nieuwe nationale feestdag. De wereldtitel gaf de Bondsrepubliek een optimistisch en positief zelfbeeld. De historicus Hans-Peter Schwarz registreerde: ‘De voetballers zijn de helden van het volk geworden. Ze nemen de plaats in van de piloten of de commandanten van de U-boten.’ Duizenden jongeren identificeerden zich met zowel Fritz Walter als met de parlementaire democratie van de jonge Bondsrepubliek. De aanvoerder met de heldenstatus liet zich niet onbetuigd. Hij bezigde de termen: ‘vrede, heimat, sport.’
Hij geloofde echt in de ‘kracht van de kameraadschap’, van de ‘Elf Freunde’. Niets was volgens hem zijn eigen verdienste. Men beschouwde hem als een mensenvriend. Een integere man, trouw, joviaal, empathisch. Overal in de stad sloeg hij praatjes met onbekende mensen. Hij bezat charisma maar behield zijn eenvoud. Hij begreep de eigen populariteit onvoldoende. Bondskanselier Konrad Adenauer schatte die wel juist in. Der Fritz, met zijn van brillantine glimmende zwarte haardos, paste in het profiel dat hij de Bondsrepubliek West-Duitsland in het naoorlogse Europa wilde geven: vriendelijk, bescheiden, op Wiedergutmachung gericht. Na de verloren wereldoorlog stond het voor hem vast: ‘Wie eenmaal met jonge mensen uit andere landen op het voetbalveld heeft gespeeld, kan onmogelijk nog op ze schieten.’ Fritz Walter.
Uit: Iconen van het WK Voetbal 1920-2026 – Raf Willems – Uitgeverij Best in Books