De Tour staat bol van de memorabele verhalen. Elke dag brengt De Witte Duivel een anekdote uit die rijke geschiedenis, letterlijk uit de buik van de Tour. Al dan niet gerelateerd aan de etappe van de dag.
Maandag 13 juli
RIJ ME MAAR DOOD, DAN BEN IK VERLOST VAN DE MISERIE
Een rustdag in de Tour. Die bestonden vroeger niet. Renners moesten doorgaans om twee uur ’s nachts vertrekken, warm ingeduffeld, klaar voor een lange rit over bergen en dalen, in vaak erbarmelijke weersomstandigheden. Ze kropen tijdens een beklimming vaak op hun knieën om, soms in de sneeuw, te zoeken naar een gebroken ketting. Of ze zochten, bevroren van de kou, beschutting in berghutten waar ze zich rond een vuurtje verzamelden. Ploegleiders moesten, gewapend met toortsen, hun renners vaak ’s avonds zoeken, om ze in graanzakken te steken en in de auto te leggen. De ritten waren zo lang dat er maar elke twee dagen werd gereden.
Memorabel is het verhaal van de Oostendenaar Staf Van Slembrouck die in 1926 als drager van de gele trui wilde opgeven, omdat hij van de kou zijn stuur niet meer kon vasthouden. Toen Tourbaas Henri Desgrange hem verweet geen karakter te tonen, ging Van Slembrouck brullend naast zijn fiets liggen en vroeg Desgrange hem dood te rijden om eindelijk van alle miserie verlost te zijn. Uiteindelijk zette hij toch zijn tocht voort.
Legendarisch is het verhaal van de Oost-Vlaming Aimé Dossche die in 1925 het Kampioenschap van Vlaanderen won, maar werd gedeclasseerd omdat hij met de toeschouwers de Vlaamse Leeuw zong. In de Tour van 1929 was het tijdens een afzink zo koud dat hij een laag ijs op de benen kreeg. Hij eindigde als een ijsklomp. Iedere beklimming groeide voor Dossche uit tot zo’n lijdensweg dat er iets vreemds gebeurde toen hij op een bepaald moment van een ploegmaat hoorde dat net de laatste col van de Tour achter de rug lag. Hij stapte af om een … Weesgegroetje te bidden.