zondag, oktober 17

Union Saint-Gilloise; the reboot – Kurt Deswert

Pinterest LinkedIn Tumblr +

Zoals Johnny Cash die begin jaren ’90 door hiphopproducent Rick Rubin terug relevant gemaakt wordt. Of, zoals filmregisseur Christopher Nolan die Batman een smoel voor de 21ste eeuw schonk. Oude, bestofte iconen die een nieuw leven verdienen en ook krijgen. Zo kan ook het verhaal van Royale Union Saint-Gilloise verteld worden. Een legende uit het sepiatijdperk. Uit de tijd dat voetbal nog leefde bij gratie van zijn mondelinge overlevering. In elk geval, Union is één van de grootste voetbalclubs in België. Punt. Nog steeds. Ook anno 2021. Hun palmares spreekt voor zich. Op Anderlecht en Club Brugge na is Union nog steeds de club die het vaakst Belgisch landskampioen is geweest. Het duurde tot 2003 vooraleer Club Union op dat vlak bijbeende… Bijna zeventig (!) jaar na Unions laatste landstitel.

De reboot van de Traditionsverein uit het Dudenpark komt er met dank aan Tony Bloom; miljardair, topgokker, eigenaar ook van de club uit zijn geboortestad; het Brighton van Leandro Trossard. En dus ook van dat juweeltje in het Stade Joseph Mariën dat, alles welbeschouwd, toch een oneindig veel grotere club is dan zijn Premier Leaguespeeltje. In 2018 kocht Bloom -die weliswaar eigenaar van de club is, maar geen voorzitter; dat is de dertiger Alex Muzio- Union over van de Duitser Jurgen Baatzsch. Die had de club zelf gekocht in 2013. Op een moment dat Union op een haar na de degradatie naar vierde klasse had ontlopen. Het was een beetje als een vervallen woning van Horta kopen. Je betaalt er misschien minder voor in de aanschaf, maar hoe krijg je in godsnaam zo een monument weer in zijn oorspronkelijke staat hersteld…

Onder Baatzsch werd de remonte in gezet, die stapsgewijs tot in 1B leidde. (En dat op een strategisch belangrijk moment, toen men de toegang tot die reeks aanzienlijk besloot te verstrengen.) Met Bloom werden nog een paar extra stappen gezet; met de verdere professionalisering van de club en de feitelijke reboot. Gestoeld op het enorm vindingrijke scoutingapparaat van Brighton, met tentakels wereldwijd. (Dat de Brexit ook een aanzet was voor Engelse clubs om exotische jonge talenten tijdelijk op het Europese vasteland te stallen en zo nadien vlotter een overstap naar de Premier League te kunnen laten maken, speelde naar verluidt ook een grote rol in Blooms beslissing om de club te kopen.)

Unions heterogene mix van Belgen (Pocognoli, Vanzeir), Denen (Bager, Nielsen) Engelsen (Burgess), Duitsers (Undav), Bulgaren (Jordanov) en met een Noors (Kristiansen), Malagassisch (Lapoussin) en Maltees (Teuma) international, wandelde dit jaar probleemloos door 1B en maakt volgend seizoen oververdiend zijn opwachting op het hoogste niveau. Volgens sommige critici heeft Blooms intro wel de Brusselse wortels van de club helemaal doorgezaagd. (Er wordt ook, bij gebrek aan degelijke trainingsfaciliteiten in het Brusselse, tijdens de week getraind in Lier of all places.) Maar misschien heeft hij ze, in de op Dubai na meest kosmopolitische stad ter wereld, net nog eigentijdser Brussels gemaakt…

Alleszins laten de supporters, zowel de Brusseleirs van de oudere generatie – of ze zelf nu volbloed ket of zinneke zijn- of de jongere bobo’s en eurocraten die de club ontdekten in de laatste jaren, het niet aan hun hart komen. Zingen doen ze sowieso. C’est l’Union qui sourit! Een lied dat toch ook altijd een beetje een volkshymne is geweest in een stad die bovenop zijn sedimenten van grootstedelijke kommer, toch nog steeds first and foremost een bastion van de zwans en het bourgondische leven blijft.

CESUUR

Union vertoefde maar liefst 58 seizoen in de hoogste voetbalklasse en het haalde daar dus ongeveer 1 keer op 5 de landstitel. Allemaal wel voor Wereldoorlog 2! Al ligt de cesuur met het succes niet in de periode 1940-44, maar wel enkele jaren eerder. Zo ongeveer net nadat het onklopbare elftal van de 60 wedstrijden zonder nederlaag in 1935 zijn derde titel op rij haalde. (Het zou de laatste worden.) Echte Unionisten kennen die elf namen trouwens ook vlot uit het hoofd. Zonder op een papiertje te kijken. Vandeweyer (“Zaza”, later bondscoach) – Weydisch – Bastin – Welkenhuyzen (schoonvader van Jean Trappeniers) – Smellinckx – Pappaert (“Pataat”, de kapitein), Van Caelenberghe, Van Landeghem, Soitje Vanden Eynden (“straffe”), Rommens en Claessens.

Als we die 104 wedstrijden van Steaua Boekarest onder Ceaucescu en de competities in Gibraltar, Moldavië en Estland even buiten beschouwing laten, dan is er enkel Celtic Glasgow dat ooit langer ongeslagen bleef. Union 60 is intussen wel een pseudoniem voor Union Saint-Gilloise geworden. 60 wedstrijden die zowel het hoogtepunt van de club betekenden, als gelijktijdig toch ook een beetje de aanloop tot het Ragnarok van Union. Aanhoudend succes heeft in de ogen van zij die er té dicht bij staan, al te vaak een verblindend en afstompend effect.

En dat gebeurde ook met het Unionbestuur. Dat slaagde er niet in om de ploeg te verjongen. Ze werden bovendien geconfronteerd met tactische nieuwlichterij van over het Kanaal; het perfide W-M-systeem van rivaal Daring Club de Bruxelles (dat, zoals geweten de reeks van Union 60 afbrak door een 2-0 zege) en er werd in het Dudenpark ook niet adequaat ingespeeld op de gevolgen van het nieuwe spelersstatuut dat midden jaren ’30 in ons land werd ingevoerd (dat van de onafhankelijke speler) en de daarbij horende eisen van een zich ontwikkelende transfermarkt… Plaudite amici, comedia finita est…

DEBUUT

Union was zijn bestaan begonnen in 1897 op het Van Meenenplein in Sint-Gillis. Heel Brussel leek in die periode in voetbal uit te barsten. Er leken bijna evenveel ploegjes uit de grond te springen als er kasseien waren op de Grote Markt. Bij Union volgden ze het voorbeeld van Racing Club de Bruxelles en Leopold Club de Bruxelles; clubs van een beduidend elitairder karakter dan Union ooit zou hebben; frontrunners met petit d (vooral dan bij Le Leo). De eerste Uniontruitjes waren trouwens afdragertjes die door Racing waren weggeschonken. Die vroegste Unionisten waren jong; kereltjes van 16 tot 19 jaar oud. (De meesten hadden nog niet eens, à la mode du jour, een deftige moustache…) Maar sjotten, dat konden ze duidelijk wel.

In 1902 al eindigde Union derde in de Ereklasse. Het razende Brussel van die dagen transformeerde in ijltempo van een provinciaal nest in een grootstad en dat hadden ook de Unionisten geweten. Op de Place Van Meenen moest Union al gauw de baan ruimen voor de bouw van een imposant gemeentehuis in Franse neorenaissancistische stijl. (Dat, net als in de andere gemeenten van het liberale arrondissement Brussel, net hoog genoeg was om boven de lokale kerkspitsen uit te torenen…) Het ging in de richting van Ukkel. (Toen een bakermat van het Belgische voetbal, want ook de thuishaven van landskampioen Racing Club de Bruxelles.)

Om uiteindelijk na nog tal van andere omzwervingen terecht te komen in het Dudenpark. In Vorst, buurgemeente van Sint-Gillis. De ‘moustaches’ waren in tussentijd al evenredig gegroeid met het voetbalvertrouwen – en talent zodat Union in 1904 ook de hegemonie van Racing wist te breken, dat net vier titels op rij had behaald. Union zou die fakkel overnemen, door ook vier keer op rij kampioen te spelen. Het zou er uiteindelijk, voor de eerste wereldoorlog, nog 3 bij doen. Het voetbal in ons land was toen duidelijk een Brusselse aangelegenheid.

In 1910 kwam er wel een eerste kleine knik in het succes. Wellicht had dat te maken met het vertrek van Unions grootste talent naar Italië. Internationale transfers waren toen nog behoorlijk nieuw. Al zou Union op dat vlak toch wel een trendsetter blijken. De club had ook buiten de landsgrenzen zijn reputatie gevestigd door een aantal prestigieuze internationale tornooien te winnen, waaraan Franse, Duitse, Engelse en Nederlandse clubs deelnamen. (Het was ook in die periode dat de club een galamatch afwerkte in de marge van de oprichting van de Wereldvoetbalbond in 1904, in Parijs en een paar jaar later, na een FIFA-congres in Nederland.

De club beschikte met andere woorden toch over een zeker renommee bij de federaties die in die begindagen bij de jonge FIFA aangesloten waren.) Union kreeg het label van meest ‘gevreesde’ club van Europa opgeplakt. Een vrees die grotendeels ingegeven was door het feit dat ze er nogal een agressieve spelstijl op nahielden. Het leidde er onder meer toe dat Union als bijnaam ‘les Apaches’ kreeg. Het was nu eenmaal zo; bij Union namen ze competitie serieus. Geen voetbalbelletrie of het ‘clean good sporting fun’ van de hooggeadelde heren van pakweg de Leopold Club, maar wel spelen om te winnen. Degene die zich daarbij het meest liet gelden, als een soort Vinnie Jones avant la lettre, was Guillaume Vanden Eynde, de (uiteraard) besnorde internationale middenvelder van Union. Hij zou uiteindelijk als één van de allereerste Belgische voetballers ooit in het buitenland gaan voetballen.

Niet omwille van het voetbal, maar eerder omdat de man er een uitermate bijzondere levenswandel op nahield. Vanden Eynde ging zowel in de Verenigde Staten voetballen als in Engeland, bij Clapton Orient. (Waar hij overigens gearresteerd werd wegens ‘ontucht’ met een minderjarig meisje…) Maar er waren nog meer Unionisten die naar het buitenland trokken. De bekendste en beste van het stel was wel Louis Van Hege … die na een vriendschappelijke wedstrijd in Italië het hof gemaakt werd door het Milan CFC (de voorloper van AC Milan) van bandenmagnaat Piero Pirelli. ‘Luigi’ zou in pré-fascistisch Italië een heuse ster worden; een voetbalrevolutionair ook. Hij leerde de Italianen de ‘dribble in excelsa’ en groeide uit tot het prototype van de kleine, briljante technisch vaardige solist, die daarenboven nog eens de onvermijdelijke topschutter van zijn ploeg werd.

Tot op heden is Van Hege nog steeds de best scorende spits uit de lange geschiedenis van AC Milan. Voor Nordahl dus, voor Van Basten, voor Weah, voor Shevchenko en zelfs voor… Zlatan. De transfer zorgde voor nauwe sportieve vriendschapsbanden tussen Milan en Union. Regelmatig ontmoetten ze elkaar en Milan zou uiteindelijk ook in 1919 het stadion in het Dudenpark komen openen met een galamatch. Milan leerde in feite de voetbalstiel van Union!

Van Hege zou na de oorlog en zijn rondzwervingen als lid van de Front Wanderers, mee de mooiste pagina uit onze vooroorlogse voetbalgeschiedenis schrijven; door Olympisch Kampioen te worden in 1920. Dat die Spelen in Antwerpen plaats hebben gevonden, weten we onderhand wel, maar soms wordt wel eens vergeten hoe groot de inbreng van Union in die zege wel niet was. Maar liefst 5 Unionisten stonden in het elftal dat de finale won. (De Anglo-Belg Georges Hebdin zat op de bank) Robert Coppée, aka ‘het kanon’, ook al Unionist, scoorde in die finale, waarna er nog jarenlang over ‘een coppée’ werd gesproken wanneer er een jongeling in onze voetbalcompetitie opdook die min of meer een hard en precies schot had…

Er wordt ook wel eens vergeten dat het Unionstadion zelf ook een rol speelde tijdens die Olympische Spelen, want het deed, samen met onder meer het Jules Ottenstadion van La Gantoise dienst als venue voor de voetbalcompetitie. Zo komt het bijvoorbeeld dat Spanje er zijn allereerste interland ooit speelde… Met de legendarische keeper Ricardo Zamora en spits Rafael Moreno Aranzadi oftewel Pichichi, spelers die vandaag nog verder leven in de namen die ze aan de trofeeën hebben gegeven voor respectievelijk de beste keeper in de Spaanse Primera Division en de topschutter. De prijzenkast van Thibaut Courtois en Lionel Messi refereren dus aan twee spelers die hun internationale carrière in het Unionstadion zijn begonnen…

DE DERBY

Union beleefde voor de tweede wereldoorlog nog prachtige periodes en werd nog 11 keer kampioen. De club was zo populair dat ze zelf toen al twee satellietclubs had, de Union Scolaire en de Association Saint-Gilloise. Maar haar populariteit beheerste ook een deel van het dagelijkse leven in het vooroorlogse Brussel. De trouwe supportersschare, afkomstig uit de volkse buurten van de Marollen tot in het centrum van Brussel, onderhielden een grote rivaliteit met ‘dei van Meulebeik’, de supportersclans van de Daring Club de Bruxelles. Union tegen Daring was meestal de match van het jaar. Vaak ook beslissend voor het kampioenschap. Weken van tevoren waren de wedstrijden al uitverkocht en the talk of the town.

Extra trams werden ingelegd en de Brusselse cafés draaiden de dag van de wedstrijd recordomzetten. De Brusselse derby was iets speciaals; supportersclubs met de fanfare voorop liepen al zingend van het ene naar het andere stadion. En na de match, kreeg de verliezende ploeg regelmatig de dubieuze eer onderwerp uit te maken van een doodskist die met een heuse lijkstoet door de straten van Vorst of Molenbeek ritueel ten grave werd gedragen. Brussel is niet meteen een carnavalsstad als Aalst, Binche of Halle, maar dit had er toch veel van weg. De derby’s namen altijd hun plaats in op de sportieve kalender, maar ook op de folkloristische kalender van de hoofdstad, naast de Meiboomplanting, de Zuidfoor et tutti quanti. Gais comme le canal, zong Brel, en hij bezong daarmee meteen ook de grootste fysieke scheidingslijn tussen Unionisten en Daringmen. Die lag ongeveer aan het Brusselse kanaal. Noord tegen Zuid.

En dan was er uiteraard Bossemans en Coppenolle; het theaterstuk over de rivaliteit tussen de beide clans. Verfilmd door Gaston Schoukens, die zijn métier geleerd had met het filmen van … voetbalwedstrijden. Een toonbeeld van Brusselse zwans. Maar in feite ook een filosofisch statement. In de grootstad met al die mensen die van overal komen, moet iedereen om met elkaar op te kunnen schieten toch allemaal een beetje suiker bij zijn Geuze kunnen doen. En een beetje humor kan daarbij helpen. (Overigens, Constant Vanden Stock, de man die effectief een imperium zou bouwen op het aanzoeten van de van nature bittere Geuze, was evenzeer een Unionist als een Anderlechtenaar. En getrouwd met een uitgesproken Unioniste trouwens.) Het is een levensles voor de eeuwen. Uzelf niet altijd te serieus nemen en de ander ook niet, quoi.

VERVAL

Het succes van Union 60 had dus een beetje blind gemaakt. Ondanks het feit dat het elftal van de Union 60 het vooral van samenhorigheid en doorzettingsvermogen moest hebben en minder van de individuele brille -zie ook het uiterst geringe aantal interlands dat gespeeld werd door de individuele spelers van de ploeg- nam de collectieve kwaliteit nadien toch af. Waarmee Union ook haar aansluiting bij de top verloor. Vreemde vogels kwamen binnenwaaien in het Dudenpark, zoals de illustere Hongaar Jules Limbek (karikaturist en communistisch spion na de uren) en op de transfermarkt slaagde men er  niet in om het verschil te maken. Ongeveer in dezelfde periode dat de buren van Anderlecht tijdens de oorlogsjaren ene Jef Mermans van Tubantia transfereerden voor 125.000 frank, ging Union bij Berchem Sport bijvoorbeeld de chronisch geblesseerde Jef Nelis halen.

Een floptransfer. Mermans zou de machtsverhoudingen in Brussel en België compleet veranderen. Al was Anderlecht daar al aan begonnen door vanaf het midden van de jaren ’30 haar jeugdpolitiek en medische omkadering dusdanig uit te bouwen dat de beste jeugdspelers in het Brusselse voortaan het Astridpark boven het Dudenpark verkozen. Terwijl Anderlecht hoogtij begon te vieren, zakte Union weg. Na de tweede wereldoorlog waren de kaarten in de hoofdstad totaal herschud. Onder impuls van Eugène Steppé en Albert Roosens bleef Anderlecht innoveren, terwijl het ouder wordende Unionbestuur intussen nog wekelijks samenkwam in het café van oudspeler Welkenhuyzen recht tegenover het Mariënstadion, om daar een kaartje te leggen en onder elkaar uit te maken wie er ‘s zondags zou spelen. Meestal dezelfden.

Zo had Union 60 dat tenslotte ook gedaan. Het stadion was natuurlijk prachtig, versteend in zijn glorie ook, de tribunes zaten nog steeds behoorlijk vol, maar de vernieuwing en professionalisering die in het Belgisch voetbal ingezet was door clubs als Standard en Anderlecht, bereikte het café van Welkenhuyzen slechts mondjesmaat.

OPFLAKKERINGEN EN REVOLUTIE

Toch zaten er in die langzame neergang -met een allereerste degradatie in 1949- van Union na de tweede wereldoorlog, nog enkele glorieuze opflakkeringen. Grotendeels werden die geschraagd op de frèle schouders van de beste voetballer die ooit in een Unionshirt heeft rondgelopen; Paul Van den Berg. In de tweede helft van de jaren ’50 groeide hij uit tot de, volgens velen, elegantste voetballer die ooit op een Belgisch voetbalveld heeft rondgelopen. Van den Berg was het soort voetballer waarvoor de mensen ’s zondags naar het voetbal trokken; technisch hoogbegaafd, altijd met het hoofd rechtop lopend, een estheet ook, iemand voor wie voetbal een ‘spel’ was, dat ook als dusdanig aangepakt diende te worden, teneinde het publiek te vermaken. Van den Berg maakte vrij vlug zijn entree in de nationale ploeg. Samen met Jean Nicolay van Standard was hij regelmatig de enige niet-Anderlechtspeler die mee mocht spelen. Hij ontwikkelde daar ook een natuurlijke symbiose met dat andere wonderkind, van bij de rivalen, Paul Van Himst. In 38 interlands scoorde Van den Berg maar liefst 16 keer. Keuzeheer Vanden Stock was behoorlijk idolaat van hem.

Met Van den Berg maakte Union ook één van de meest opmerkelijke avonturen uit zijn geschiedenis mee. Een avontuur dat Union onbedoeld ook een plek in de wereldgeschiedenis zou bezorgen. In de zomer van 1957 trok Union naar Belgisch Congo, voor een tournee en een aantal galawedstrijden. Die lieten een blijvende indruk op het Afrikaanse continent na. Op 16 juni 1957 speelde Union in Leopoldstad (het huidige Kinshasa) voor een met 60.000 supporters volgepakt stadion, een wedstrijd tegen een Congolese selectie, een soort Congolese nationale ploeg avant la lettre. (Speerpunt van die ploeg was Leon Mokuna).

Het was de eerste keer sinds Belgische kolonisatoren het voetbal in Congo geïntroduceerd hadden, dat een volledig blank elftal het opnam tegen een volledig Afrikaans elftal in de kolonie. In aanloop naar de wedstrijd waren er al behoorlijk wat (politieke) spanningen, maar die kwamen helemaal tot ontploffing toen Union heel moeizaam met 4-2 won. Weliswaar nadat de Europese scheidsrechter twee Afrikaanse doelpunten af had gekeurd. De boel ontplofte. Het Congolese publiek kon de nieuwste koloniale vernedering niet langer meer verkroppen en keerde zich tegen de aanwezige Belgen. De rellen in het stadion verspreidden zich naar buiten. Een paar honderd Europese wagens ging in de fik. Het waren de allereerste gewelddadige rellen in de geschiedenis van de Congolese onafhankelijkheid. Na een wedstrijd van Union. Zoveel clubs zijn er nu toch ook weer niet die een heuse Revolutie mee in gang gestoken hebben. Ook daarin is Union uniek gebleken!

EUROPA

Van den Berg zou met Union ook nog schitteren in de eerste Europese wedstrijden van de club (en van het Belgisch voetbal tout court). Eind jaren ’50, begin jaren ‘60 nam Union, op uitnodiging, een aantal keren deel aan de Jaarbeursstedenbeker. Het team slaagde er als eerste Belgische club zelfs in om een Europese halve finale te bereiken. In 5 deelnames ging het er 4 keer uit tegen een latere finalist. Het waren campagnes waarin tegen ploegen als Birmingham City en Juventus werd gespeeld en waarin onder meer Olympique Marseille (in zijn allereerste Europese wedstrijden) en AS Roma over de knie gingen. Maar de Europese gala-avonden zouden ook een vergiftigd geschenk blijken. De opkomst was niet altijd geweldig, de kosten voor de organisatie swingden de pan uit en ze brachten een flinke knauw toe aan de al niet bepaald florissante clubfinanciën.

Zonder Van den Berg, het kroonjuweel, die vertrok om bij Standard en Anderlecht te spelen, zakte de ploeg en de club verder weg. De overspending, waarvan de Uniondirigenten hadden gehoopt dat ze terug de weg naar boven in zouden luiden, zouden uiteindelijk mee bijdragen aan de financiële problemen die de club onherroepelijk zou nekken. Met een uitgebeende selectie onder bewind van een jonge trainer die luisterde naar de naam Guy Thys, zou Union definitief uit de Belgische hoogste voetbalklasse verdwijnen in 1973. Net op het moment dat het profvoetbal zijn intrede deed in België. Een jaar later zou RWDM- de verpopte versie van aartsrivaal Daring – kampioen worden…

Voor Union volgde een lange lijdensweg in de lagere reeksen. Met al in 1975 een degradatie tot in derde klasse. Toen kwam er een fantasistische voorzitter die een miljoenenploeg op de been bracht. Met Anderlechtspelers als Jan Verheyen (die zelfs nog opgeroepen werd voor de nationale ploeg), Leen Barth en André De Nul onder andere en onder leiding van Georges Heylens. Een jaar later was Union failliet. Nadien bleef het jarenlang rondzwerven in de diepste ingewanden van het Belgisch voetbal. Met occasionele promoties en onvermijdelijke degradaties die de club zelfs tot in bevordering brachten…

De legende vergaarde stof. De geschiedenis werd vergeten. Behalve dan door die enkele duizenden supporters die de club nog steeds in hun hart droegen, genetisch verankerd in hun bloed. Of, zoals het in treffend klinkt in één van hun liederen (dat zeer recent in een briljant jasje werd gestoken door het Brussels Philharmonic (zie: https://www.youtube.com/watch?v=z9TvCmQJ70k ): Ça Fait Maintenant Des Années / Que je suis mis à t’aimer / Ne me demande pas pourquoi / L’amour ne s’explique pas’

Tot de reboot natuurlijk, want in the end is het toch ‘L’Union qui sourit.’

O Belgisch voetbal | Raf Willems

Share.

About Author

Regelmatig publiceren we artikels van eenmalige gastschrijvers. Ook zin om een artikeltje te plegen? Neem contact op met info@dewitteduivel.com en bezorg ons jouw tekst.

Comments are closed.