woensdag, juni 17

Sandor Kocsis, melancholische Gouden Hoofd van Magical Magyars 1954 – Raf Willems

Pinterest LinkedIn Tumblr +

Een dagelijkse serie van 31 afleveringen…Iconen van het WK Voetbal 1920-2026 uit het gelijknamige boek. Vandaag: Sandor Kocsis; 21 september – 22 juli 1979.

Hongarije – Uruguay 4-2, halve finale World Cup Zwitserland, 30 juni 1954, Stade Olympique de la Pontaise Lausanne

Sandor Kocsis. Wroette het verleden te zeer in hem? Hoe dacht hij terug aan zijn gloriedagen? Toen het donker werd in zijn hoofd? En hij besloot om te springen. Van de vierde verdieping in een ziekenhuis in Barcelona, waar men hem tevergeefs behandelde voor maagkanker. Het was 22 juli 1979, enkele maanden voor zijn vijftigste verjaardag. Wat deed de herinnering met hem, na zijn eerste bezoek sinds de vlucht in 1956 aan zijn geboortestad Boedapest in 1976? De mensen herkenden hem niet meer. De ranke spits van de jaren vijftig, vocht tegen een vroege aftakeling. Heimwee naar Hongarije, dat had hem steeds getekend. De melancholische ‘Magical Magyar’. Het ‘Gouden Hoofd’ van het ‘Gouden Team’, met een mondiaal record van 75 goals in 68 interlands. Niemand scoorde ooit gemiddeld 1,1 doelpunt per match voor zijn nationale elftal. Succesvolle spits en zeer geliefd bij FC Barcelona, met 151 doelpunten in 235 wedstrijden. En toch, dat voortdurende gevecht met zichzelf, met de eigen mensenschuwheid, met de duistere zijde van zijn brein. En hoewel hij in Camp Nou uitstekend verdiende, bleef hij zichzelf een ‘balling in Barcelona’ voelen. In tegenstelling tot Ferenc Puskas bij Real Madrid, de van zelfvertrouwen overlopende vedette van zijn ploeg, verteerde hij de verscheurende keuze na de ‘Hongaarse Opstand’ van 1956 niet: de Sovjets sloegen de prille democratiseringsbeweging rond Imre Nagy gewelddadig neer. Voor de voetballers van de Aranycsapat – het Gouden Team – bleef slechts de bittere keuze: de vlucht naar de vrijheid of de pesterijen en het ‘fin-de-carrière’ in Boedapest.

Zou hij toch niet geglimlacht hebben bij de herinnering aan zijn onbezorgde kindertijd? En aan zijn vader die hem op zijn derde jaar al de geheimen van een kopspel leerde met een gummiballetje? Het ging er zeer rumoerig aan toe in de living, waar hij veel glazen deed sneuvelen. Daar lag de basis voor zijn indrukwekkende kopspel. Niemand evenaarde hem daarmee. Het waren geen domme kopslagen, maar spectaculaire en intelligente. Niets voor niets noemden de Engelsen hem ‘the Golden Head, the greatest header of a ball the game has ever had.’ Honderd keer hield hij op simpele aanvraag de bal hoog, tot net voor de befaamde ‘Game of the Century’ tegen Engeland op Wembley toe. Hij won daarmee de weddenschap van Puskas. Maar hij kon veel meer dan dat: dribbelen, voorzetten – strak of listig – en scoren. Niets dan scoren. Zijn vaart ging snel: achttien en in het eerste elftal van Ferencvaros, twaalf maanden later meteen nationale ploeg. Hij weet nog hoe hij de avond voordien stond te lummelen en een balletje trapte in het park. De dag nadien riep men hem uit tot beste speler. En dat bleef zo maar gaan. Het liep zelfs te vlotjes want zijn lichamelijke conditie liet soms te wensen over. Ja, hij hield wel van vertier. Bondscoach Szebes verweet hem dat de roem hem naar het hoofd was gestegen en dat hij zich niet als een sportman gedroeg. En toch: hij stond daar, op die grote ogenblikken: op de Olympiade 1952 met goud én goals, zes in totaal en topschutter van de ploeg. Tegen Engeland in de historische 7-1 zege, een nog markantere prestatie dan de 3-6 op Wembley, enkele weken voor de Wereldbeker 1954 in Zwitserland. En dan ‘das Weltmeisterschaft’ zelf: vier goals tegen West-Duitsland (8-3), twee tegen Brazilië (4-2, kwartfinale) én Uruguay (4-2, halve finale). Elf in totaal, uitgeroepen tot de beste aanvaller ter wereld. Zo had het gezaghebbende Franse weekblad hem getypeerd: ‘Een man met uitzonderlijke techniek, dé ster van de Hongaren en de vedette van het WK.’ Eindelijk uit de schaduw getreden van die dekselse Puskas.

Zijn frère-ennemie, die hem de duivel aandeed. Men beweerde dat hun onderlinge rivaliteit hen naar ongekende hoogten had gedreven. Daar was hij het niet helemaal mee eens. Hij bleef liever in de schaduw en hield helemaal niet van de verbale robbertje van Puskas. En bovendien: was hij – in tegenstelling tot hem – dan niet perfect tweevoetig? Waardoor hij toch een trapje hoger hoorde te staan in de rangorde? Het tegendeel bleek waar. Puskas eiste – conditioneel niet in orde na een blessure – zijn positie toch op in de finale tegen West-Duitsland. Hij reageerde met ingehouden woede. Presteerden de ‘Magical Magyars’ ooit beter dan in de beste match van het toernooi: de halve finale Hongarije – Uruguay? Waarin hij tijdens de verlengingen met twee fantastische goals het resultaat besliste?

Het liep verkeerd af in de finale. Puskas scoorde, maar was verder een sta-in-de-weg van hem. Hij miste de ruimte die hij met brio had ingevuld. Hongarije droop af. De ontgoocheling bleef door zijn geest spoken. Tot op het einde van zijn leven. Hij bleef zichzelf een vreemdeling voelen in Barcelona. Het heimwee, de mijmeringen, de aftakeling werden hem te machtig. Zijn vijftigste verjaardag was een kaap die hij niet wenste te nemen. Sandor Kocsis.

Uit: Iconen van het WK Voetbal 1920-2026 – Raf Willems – Uitgeverij Best in Books

 

 

Share.

About Author

Paul Catteeuw (1956) bekijkt voetbal vanuit de tribune achter het doel. Hij houdt zo de vinger aan de pols voor wat naast de zijlijn gebeurt en probeert om er dwars doorheen te kijken. Soms vol nostalgie, soms vol verwondering, maar meestal met een vleugje ironie.

Leave A Reply