woensdag, december 2

,Ik stond voor de poorten van de hel’

Pinterest LinkedIn Tumblr +

Op 29 mei 1985 maakte François Colin zich op om verslag uit te brengen van wat een onvergetelijke Europese finale moest worden tussen het Engelse Liverpool en het Italiaanse Juventus. Hij was op alles voorbereid, behalve op wat hem op de Heizel te wachten stond. 

Dit is het verhaal dat ik vijftien jaar geleden voor De Standaard schreef.

UREN voor de aftrap zat ik met een paar collega’s op het terrasje van een café even voorbij het Heizelstadion. Het was een heerlijke dag. Het Atomium glinsterde op de achtergrond in de zon. Ik keek vol verwachting uit naar deze wedstrijd. Liverpool kon zijn vijfde Europese beker winnen en Juventus was de nieuwe Italiaanse grootmacht, die al twee finales had verloren maar dit keer vast van plan was de beker te bemachtigen. Met Kenny Dalglish en Michel Platini stonden twee van mijn lievelingsvoetballers tegenover elkaar. 

Steeds meer Liverpool-supporters, helemaal gehuld in het rood, zakten af richting stadion. Ze zochten een schaduwplekje op de grasvelden rond de oude Heizel. Het licht boven de pylonen was volmaakt blauw. De sfeer was bijna idyllisch. 

Steeds meer Engelsen trokken hun shirt uit. Hun akelig witte huid was bedekt met tatoeages. Ze zagen er alles behalve angstaanjagend uit. Ook al werd er bijzonder veel gedronken. Overal op het gras slingerden flesjes bier rond. 

Ik maakte me nergens zorgen om. Hooliganisme was iets van een andere wereld. We hadden er vooral over gelezen in buitenlandse kranten en ook wel eens beelden van gezien op televisie. Een paar jaar eerder had ik voor het eerst rechtstreeks kennis gemaakt met het fenomeen, toen ik met enkele journalisten op weg naar de terugwedstrijd van de Uefacupfinale tussen Tottenham en Anderlecht in de buurt van White Hart Lane door een groep hooligans werd belaagd. Er werd wat geroepen en de sfeer was dreigend, maar er gebeurde niets. 

Vijf dagen eerder had ik Manchester United op Wembley de Cup Final zien winnen. De politie had net zo goed kunnen thuis blijven. De dagen voordien verbleef ik in Liverpool om verhalen te maken in de aanloop naar de Europese eindstrijd. Ik had er met manager Joe Fagan en algemeen secretaris Peter Robinson gepraat. Ze verzekerden me dat er nog nooit problemen waren geweest met Liverpool-fans in het buitenland. Hooliganisme paste niet bij de filosofie van de club, zoals die twee decennia eerder was uitgetekend door de legendarische Bill Shankly. 

Robinson maakte zich wel een beetje zorgen over de ticketverkoop. Hij wist dat er naast het vak van de Liverpool-aanhang ruimte was voorzien voor neutrale toeschouwers, die een bufferzone vormden, en vreesde dat de kaartjes voor het Belgische publiek in de handen zouden vallen van Italianen die in ons land woonden. Hij had van de Belgische instanties echter de verzekering gekregen dat ze alles onder controle hadden. 

Nietsvermoedende mensen bleken echter betaald te hebben om als veiligheidsschild gebruikt te worden. 

Toen ik minstens anderhalf uur voor de aftrap in het stadion arriveerde, ontstonden er snel geruchten dat Engelse supporters zonder tickets het stadion waren binnengedrongen. Ze waren de suppoosten, die aan een tafeltje zaten om de kaartjes af te scheuren, simpelweg voorbijgelopen. 

Het was uitkijken naar wat er achter het doel links van ons gebeurde. Het deel van de staanplaatsen dat het verst van ons was verwijderd, kleurde rood. Het viel op dat de mensen die het dichtst bij de hoofdtribune stonden veel zwart en wit droegen. Wat later zagen we dat rood voorwerpen richting zwart gooide. Er leek nog niet veel aan de hand en toen we de mensen in het zwart-witte vak uit elkaar zagen stuiven, werd er nog gelachen met de opmerking dat de Italianen ,,broekschijters” waren. 

De lach stierf meteen uit toen duidelijk werd dat vak Z op de vlucht sloeg voor Engelsen die de afrastering tussen beide vakken hadden neergehaald en in het vijandige kamp waren doorgedrongen. Na de charge keerden ze echter vrij snel op hun stappen terug en lieten een grote lege plek achter. 

Ongeveer een kwartier bleef het stil. Er gebeurde niets, niemand greep in. 

Op de tribune was maar een handvol ordehandhavers te zien. De herrie brak toen pas echt los. Een tweede rode golf overspoelde vak Z. De Italiaanse bezoekers bleken helemaal niet vertrouwd met geweld op de tribunes en probeerden in doodsangst te ontkomen. Met duizenden stormden ze op de smalle uitgang af, achtervolgd door uitzinnige Britten. Op de atletiekpiste stonden een paar agenten, die de Italianen tot mijn verbijstering terugknuppelden. De dood in, zo bleek later. 

Het contrast met de gebeurtenissen op het veld kon niet groter zijn. Daar was net een jeugdwedstrijdje afgefloten. Vredigheid troef. Ik schrok enorm toen ik een fotograaf met zijn wijsvinger als een mes langs zijn keel zag bewegen, alsof hij zijn collega op de tribune duidelijk wilde maken dat er een dode was gevallen. 

Ongeloof, vertwijfeling. Pas toen Albert Roosens, de secretaris-generaal van de voetbalbond, de perstribune opstormde, wist ik zeker dat er iets serieus fout was. Roosens eiste de telefoon van Het Nieuwsblad op en belde Binnenlandse Zaken om versterking. Hij was totaal overstuur en gooide het toestel finaal woedend neer. 

Ik besloot toen naar beneden te gaan en uit te zoeken wat er aan de hand was. Ik botste meteen op Simonne Defloor, de verantwoordelijke voor de verhuring van de loges bij Anderlecht en de vrouw van Sportmagazin e- medewerker Jan Defloor. Zij was in paniek, omdat haar dochter kaartjes had voor vak Z. Ik probeerde haar gerust te stellen en stelde haar voor met mij mee te gaan om een en ander uit te zoeken. 

Aan de zijkant van de hoofdtribune leek het alsof ik voor de poorten van de hel stond, alsof ik in een schilderij van Jeroen Bosch was terechtgekomen. Een bom had niet meer onheil kunnen veroorzaken. 

Rond halfacht was een zijmuur van de tribune onder de druk van de paniekende massa ingestort. Bange mensen vluchtten alle richtingen uit. 

Iedereen liep door elkaar heen. Slachtoffers en hulpdiensten, niemand wist waarheen. Complete verwarring, chaos alom, pandemonium. 

Ik had nog nooit een lijk gezien en toen ik de lichamen aan de zijkant van de tribune opgestapeld zag liggen, wist ik even niet wat me overkwam. Er waren snel dekens over de doden gegooid en een paar lichamen waren bedekt met een Juve-vlag. Een nieuw slachtoffer dat aangevoerd werd, leek nog naar adem te happen. Zoals een vis die op het droge ligt. 

Het ging mijn bevattingsvermogen te boven dat er doden konden vallen bij een spel dat was bedacht om de mensen te vermaken. Hier was ik niet klaar voor, dit was werk voor oorlogsverslaggevers. In een soort van trance liep ik terug naar de perstribune om zo snel mogelijk naar de redactie te bellen met de mededeling dat er doden waren gevallen. 

Er werd afgesproken dat ik alles zou vertellen wat ik had gezien en dat de eindredacteur de nota’s zou uittikken. Ik kon op die manier snel opnieuw naar beneden. Intussen was de zaak daar min of meer georganiseerd. De toegang tot de plek van het onheil was afgesloten en er stonden grote tenten van het Rode Kruis. Pottenkijkers werden niet meer toegelaten. 

Gelukkig maar, dacht ik. 

Het had geen zin langer te blijven. Simonne Defloor stond wat verder met haar dochter in de armen. Ze huilden allebei en waar je ook keek, overal zag en voelde je een verpletterend verdriet. Ook ik werd overmand door emoties. De perstribune leek me de meest veilige plek. Daar vernam ik dat er collega’s onderweg waren om de verslaggeving buiten het stadion over te nemen. Ik moest mij nog alleen bekommeren om wat er binnen het stadion gebeurde. 

Ik vergeet nooit de eindeloze stroom Italiaanse woorden die voortdurend door de luidsprekers van het stadion dreunde. In de hoop familieleden terug te vinden van de slachtoffers van dit zinloze voetbalgeweld. Klanken vol muziek die brutaal verstoord werden door Italiaanse tifosi die kookten van woede en probeerden aan de overkant bij de Engelsen te geraken. 

Op de perstribune was het stiller dan ooit. Sommige collega’s zaten er als verlamd bij. Te getraumatiseerd om te spreken of te schrijven. Woedende Italianen bestormden de eretribune en joegen de bobo’s op de vlucht. 

Uitgeraasd eindigden ze op de perstribune met de vraag of ze naar huis konden bellen om de familie gerust te stellen. 

Ik werd verschrikkelijk boos toen ik vernam dat de wedstrijd met ruim anderhalf uur vertraging toch nog op gang zou worden gefloten. Hoe kon je in deze omstandigheden voetballen? Op de avond dat het spel definitief zijn onschuld had verloren. Het deed me aan München 1972 denken: the show must go on. Ik had hoegenaamd geen begrip voor het standpunt dat er gevoetbald werd om erger te voorkomen. Hoe kon het nog erger worden? 

Na overleg met het thuisfront werd beslist dat we ons zouden beperken tot een kort verslag van de Europese finale. Ik was de hele wedstrijd in gedachten verzonken, maar schakelde op de een of andere manier de automatische piloot in en slaagde er alsnog in een obligaat stukje bij elkaar te tikken. Het stuitte me tegen de borst dat de Juve-spelers na afloop van het spookduel reden zagen om een ereronde te lopen. 

De Heizel had mijn ogen geopend. Dit was het einde van het voetbal. Toen ik uren later terugreed naar de redactie was de omvang van de ramp me nochtans nog steeds niet helemaal duidelijk, hoewel een rijkswachtofficier me vertelde dat hij 35 doden (het waren er in werkelijkheid zelfs 39) en zeker 200 gewonden had geteld. In de tenten naast de hoofdtribune was de reddingsoperatie nog in volle gang. De beelden van de nachtmerrie maakten slapen onmogelijk. 

‘s Anderendaags keerde ik naar de Heizel terug. Vak Z leek nu pas echt op een slagveld. Een tapijt van kapotte bierflesjes. Stapels schoenen en kledingstukken. Veel zwart-witte sjaals en hoofdbandjes. Veel mensen ook die bloemen kwamen leggen. Voor de slachtoffers van Koning Voetbal. 

Het duurde nog jaren voor ik weer met een veilig gevoel naar een wedstrijd ging. In voor mij onbekende stadions keek ik lang voor de aftrap uit naar ontsnappingsroutes. Vooral in het vroegere Oostblok kwam ik nog geregeld in tribunes die nog aftandser leken dan die van het Heizelstadion. Het voetbal leerde maar heel langzaam. 

29 mei 1985. Twintig jaar geleden al, maar het lijkt nog gisteren. 

Share.

About Author

François Colin (68) was achtereenvolgens rubriekleider voetbal en chef-sport van Het Nieuwsblad en senior writer van De Standaard. Sinds zijn pensioen in 2014 is hij columnist voor Sport/Voetbalmagazine. Hij bracht verslag uit van twee Olympische Spelen, tien EK's en negen WK's voetbal en was aanwezig bij ruim driehonderd interlands van de Rode Duivels. Hij is auteur of co-auteur van een vijftiental boeken over de mooiste sport op aarde.

Leave A Reply