Franco Baresi (8 mei 1960 – 30 juli 2026) overleed op de leeftijd van 66 jaar en drie maanden. Hij sukkelde al een tijd met zijn gezondheid.
Los Angeles, de Rose Bowl, 17 juli 1994. De wereld zag hoe Franco Baresi huilde. In de strafschoppensessie na de saaie WK-finale tegen Brazilië (0-0) faalde hij. Tranen begroeven zijn gegroefde gezicht. Een gebarsten gemoed. Een kop uit een film van Luchino Visconti. Een schorre stem als ‘Max’ van Paolo Conte: ‘Onpeilbaar. Helder. Met een geheim.’ Het onpeilbare geheim van een latent levensverdriet. Om zijn vroeg gestorven ouders, op zijn vijftiende.
Om de gemiste wereldbeker. Om het voetbaleinde van Marco van Basten. Het hulde zich als een loden last om Franco Baresi uit het dorpje Travagliato, wat vrij vertaald getormenteerd betekent.
Franco Baresi (18 mei 1960) kende slechts één grote voetballiefde: AC Milan.
San Siro bood hem geborgenheid na het familiedrama. Van april 1978 tot oktober 1997 speelde hij 716 wedstrijden voor de Rossoneri, waarvan vijftig om de Europa Cup der Landskampioenen. Tussen 1989 en 1995 trad hij aan in vijf finales. Dat had behalve Alfredo di Stefano van het koninklijke Real Madrid uit de jaren vijftig niemand hem voorgedaan. AC Milan versloeg in 1989 Steaua Boekarest (4-0), in 1990 Benfica Lissabon (1-0) met trainer Sacchi. In 1994 verraste Capello het FC Barcelona van Johan Cruijff (4-0). In 1993 verloren de Italianen van Olympique de Marseille (1-0) en in 1995 van Ajax Amsterdam (1-0). Met als winnende coaches respectievelijk Raymond Goethals en Louis van Gaal.
Franco Baresi, een man van de eed van trouw: één vrouw, één club, één baas. Mister Milan zwoer bij de familiewaarden en gezellig gezinsleven en bazuinde uitgebreid de lof over Silvio Berlusconi, de burleske bezitter van AC Milan.
Baresi stond symbool voor het Systeem Sacchi. De computercoach zette zich met wetenschappelijke concepten af tegen de Italiaanse traditionalisten en haalde met modern pressievoetbal het conservatieve catenaccio onderuit.
Baresi vervulde een sleutelrol in Sacchi’s planmatige passie. Zijn methodisch métier verzoende zich tot in de perfectie met het romantische stiletto van Roberto Donadoni en Marco van Basten, de superieure efficiëntie van Frank Rijkaard en het genereuze gedraaf van Ruud Gullit. Met deze gecultiveerde as forceerde Milan een trend- en stijlbreuk in het internationale voetbal. Professor Arrigo Sacchi ontrafelde vanuit zijn laboratorium de irritante combinatie vijfmansdefensie-counterspits die vanuit de Italiaanse laars, na de wereldtitel met de supersonische Rossi in 1982, het hele continent had verdorven en verdoofd. Met de virtuoze verbinding van oranje expressie en blauwe ratio pikte Milaan de draad op van de Renaissance. Nadat eerder wetenschap, schilderkunst, mode, design en communicatie in de Domstad invloedrijke injecties hadden meegekregen klom ook het voetbal naar een artistiek hoogtepunt. Vanuit de aloude Milanese mengeling van kunst en ambacht en vanuit het schone streven naar creatieve wereldfaam. ‘Milaan is de stad waar men Europees leert denken’, mijmerde de Franse schrijver Strendhal al in de achttiende eeuw.
Franco Baresi was geknipt voor Het Systeem Sacchi, niemand las het beter dan hij. De kracht van de pressie. Verdedigers werden de eerste aanvallers. Baresi was een technische verdediger in de Italiaanse traditie, maar koesterde tevens visie en positiespel. Hij kon oprukken vanuit de defensie, maar had tegelijk de spelverdeling van de middenvelder in de voet. ‘A ball player’, schreef Ian Ridley in The Independent en hij bewierookte Baresi als ‘The elder statesman’ van het voetbal. De wijze, oude man. De psychische heerser, de beste ‘lezer’ van het spel. ‘Een van de weinige spelers die de persoonlijkheid van een team kunnen veranderen’, prees het vergrijsde voetbaldier Azeglio Vicini hem. De piepjonge Baresi proefde onder de stokoude bondscoach Enzo Bearzot – Vicini’s voorganger – als bankzitter van de glorie van de wereldtitel van 1982.
Dat contrasteerde schril met het verval van het oude Milanese monument.
Baresi vierde in 1979 de laatste scudetto van Gianni Rivera, maar sinds het afscheid van de glamourboy tobde het trotse AC met schandalen en degradatiezorgen. In 1986 echter kantelde een tijdperk. De megalomane mediamagnaat Berlusconi ontfermde zich als een messiaanse mecenas over zijn zieltogende favoriete club. De volksclub, met wortels in het Milanese socialisme van de lust – werd opgeslorpt door Berlusconi’s hyperkapitalistische imperium Finninvest. Hij renoveerde het instituut en sloot met Baresi een dubieus verbond voor het leven. ‘De goede man met zijn gouden glimlach’ bood zich als ‘Verlosser’ aan maar bleek al snel een farizeeër. Berlusconi dreef mee op de stroom van parvenu’s, dubieuze zakenlui en nieuw-rechtse yuppies die in de jaren tachtig Milaan inpalmden en de tolerante links-liberale sfeer van de binnenstad bedierven. De ‘Operatie Schone Handen’ ontmaskerde Berlusconi als Koning van Tagentopoli, de smeergeld-stad. Fraude, corruptie, omkoperij, samenwerking met de maffia en de extreemrechtse vrijmetselaarsloge P2. Niets menselijk was hem vreemd om zijn rijk te vestigen. Franco Baresi waste lyrisch alle duistere daden van Il Dottore in het openbaar wit want ‘hij schonk de Milanisti vreugde’.
Een pijnlijke paradox met de elegantie waarop Mister Milan (zes scudetto’s, drie Europacups der Landskampioenen, twee Wereldbekers voor Clubs) zijn Rossoneri door hun Gouden Tijdperk stuurde. Franco Baresi.