woensdag, mei 20

Voetbalgoden – Stefaan Sonck

Pinterest LinkedIn Tumblr +

Ik hou van voetbal. Echt waar. Eenvoudiger kan volksvermaak nooit worden. Je tekent een rechthoekig speelveld, voorzien van twee gelijke helften. De middellijn staat loodrecht op de zijlijnen. Op de korte kanten, twee gapende doelen tegenover elkaar. Met levenloze netten. Krijtlijnen in de hoeken van het speelveld en rond de doelen. Een grote cirkel in het midden. Drie ronde stippen die soms in beeld komen.  Elf spelers, waarvan er een zelfs bij warm weer handschoenen draagt, proberen een lederen bal in een doel te doen verdwijnen. Elf anders getooide tegenspelers pogen dat te verhinderen en – erger nog – stellen alles in het werk om diezelfde bal in het andere doel te deponeren. Voetenwerk is primordiaal, behalve bij de man/vrouw met handschoenen. Sla geen acht op de bizarre rugnummering. De spelregels, die gewagen van aftrappen na een toss, ingooien, rechtstreekse en onrechtstreekse vrije trappen, hoek- en strafschoppen en nog wat ander hand- en buitenspel, krijgt zelfs een jonkie binnen de kortste keren onder de knie. Maar daar wou ik het eigenlijk niet over hebben.

Voetbal is wreed. De elf gelijkgeshirte spelers op het veld doen hun ding, vaak met overgave. Een handvol anderen volgen, in het beste geval vanop een bank, beschut tegen regen en wind, met een sprakeloze blik het spektakel dat zich voor hun ogen en binnen voetbereik afspeelt. Zij willen best het veld betreden, liefst meteen, om er een glansrijke prestatie neer te zetten door zelfverzekerd een splijtende assist af te leveren of, beter nog, een weergaloos doelpunt te scoren. Na een panna, als het even kan. Wees maar zeker. Maar ze mogen niet. Dat hebben mensen lang geleden voor hen beslist: wisselspelers mogen maar met mondjesmaat opdraven, na een goddelijke ingeving van de coach en mits goedkeuring van de scheids. En vaak voorafgegaan door eindeloos lang heen- en weergehuppel aan de zijkant, houterig armenzwaaiend of een discrete rekbeweging simulerend. Als je dit stadium hebt bereikt, bestaat de kans dat je mag opdraven. Maar je kunt net zo goed, liefst zonder enig misbaar, na verloop van tijd opnieuw moeten postvatten op de bank, naast de andere nagelbijters. En – cynisme ten top – er zijn altijd meer kandidaten dan gegadigden. Zit je op de bank en heb je handschoenen aan, dan mag je het alleszins vergeten. De gehandschoende man op het veld krijg je – een hartstilstand niet te na gesproken – alleen met een takelwagen naar de kant. Ergerlijk. Maar daar wou ik het eigenlijk niet over hebben.

Toen ik jong was en internet nog niet in het verklarend woordenboek stond, werd een voetbalwedstrijd geleid door een scheidsrechter die zich onderscheidde door zijn zwarte uitrusting met een witte kousenboord en een gelig scheidsrechters-écusson met bondsembleem op de borst. Kleurkaarten in een achterzak en een balpen gekneld tussen been en kous, wat mij als jonge gast erg gewaagd leek. Balpennen durfden weleens uit te lopen, in die tijd. De mot kwam erin toen een Hollandse ref, een knappe kerel met blonde haren die korte, nauwsluitende shorts droeg, ook kleurrijke shirts begon aan te trekken. Niet gewoon olijfgroen of metaalblauw. Maar wel flashy of fluo. In die tijd werd je hiervoor al gauw scheef bekeken. Thans zijn scheidsrechters vestimentair onvoorspelbaar en hebben ze enkele tuigen te hunner beschikking waardoor ze iets gemeen hebben met de leden van de bijzondere interventie-eenheden van onze politie. Een headset om draadloos te communiceren met ik weet niet wie en een heupgordel die een spuitbus vasthoudt waarmee soms autoritair lijnen op de grond worden gespoten, die na verloop van tijd als een nevel oplossen in het stadion. Een beetje Bond, James Bond. Want voetbal is per slot van rekening een beetje oorlog. Maar laat ik het daar verder niet over hebben.

Supporters verbazen mij telkens weer. Ze worden veiligheidshalve samengehokt naar kleur. Vaak hebben ze sjaals meegebracht, waarvan ik me voorstel dat hun oma’s ze hebben gebreid, denkend aan donkere, koude winteravonden in een tochtig voetbalstadion. Niet dus. Je moest eens zien hoe deze sjaals, strak gespannen tussen gespreide armen, heen en weer wiegen op de tonen van een uit volle en vaak ontblote borst gezongen clublied of volkslied. Die supporters worden uitzinnig bij een doelpunt en plengen tranen bij een smadelijk verlies. Ja, geluk hangt soms van anderen af. Zoals van coaches.

In mijn tijd, toen een coach nog gewoon trainer heette, droegen ze gegarandeerd een tweedelig, drielijnig trainingspak. Uitzonderlijk eens geen drielijner, maar een katachtige als embleem. Dat was toen evident: een trainer in een trainingspak. Nu dragen de meeste trainers maatpakken. Sommigen staan hevig gesticulerend in hun enclave. Anderen zitten stoïcijns op de bank, notitieboekje in de aanslag. Geflankeerd door minstens twee assistenten. Ook zij noteren driftig of tokkelen op een iPad. Al de opgenomen data zullen in een werkdocument worden samengevat en vervolgens worden gebruikt in een ontegensprekelijk interessante, meertalige uiteenzetting met strategische inslag die door de voetbalpionnen zal moeten worden omgezet op de kunstgrasmat. Terwijl de grootste voetballers net volkomen onvoorspelbaar zijn! Best, Cruijff en Maradona, om eens drie anderen te noemen dan Messi, Neymar en Ronaldo.

Laat ik het daarover hebben. Ere wie ere toekomt. De goden van het stadion. De voetballers zelf. Hun gedragingen zijn een bron van inspiratie, of is het irritatie? Ik twijfel nog.

De wijze waarop ze het speelveld betreden, verraadt al hun goddelijke status. Bij het opdraven wordt het gras lieflijk geaaid, worden de op Italiaanse wijze geknepen handen naar de mond gebracht voor een verdoken kus, waarna de ogen naar de hemel worden gericht terwijl de wijsvingers iets of iemand aanwijzen, daarboven in het zwerk, waarvan we de identiteit nooit zullen kennen. Ondertussen wordt iets gepreveld wat zelfs begenadigde liplezers – zo heb ik me laten vertellen – niet kunnen ontcijferen. Magisch en mysterieus. Vaak worden er bovenop in allerijl nog kruistekens gemaakt, niet één, maar een drietal. Goddelijk of gewoon idioot. Ik weet het even niet …

Sommigen dragen gele, anderen blauwe of rode voetbalschoenen, een enkeling met kleurenblindheid gewoon zwarte, zoals dat generaties lang voor hem door alle voetballers werd gedaan. Ook zij die niet kleurenblind waren. Diezelfde generaties droegen shorts, wat iets anders is dan bermuda’s of kniebroeken. Toegegeven, het gebeurde toen weleens dat de short van een potige verdediger na een drieste tackle oprolde tot in de bilnaad, maar geen kijker of supporter die daar aanstoot aan nam, wel integendeel. Het zal thans niet meer gebeuren, nu de shorts tot aan de knieën reiken, alsof het alle voetballers erom te doen is bedenkelijke tattoos op hun bovenbenen te verbergen. Die hebben ze alleszins op één of beide armen, deze tattoos met een diepere betekenis, waarvan ik me afvraag of ze werden geplaatst in een diepzinnig moment of in een dronken bui na het behalen van een metalen beker. Veel knie valt er bovendien niet te zien onder de lange shorts, want de voetbalkousen horen thans te worden opgetrokken tot boven de knie. In mijn tijd gebeurde dat alleen door dames, die dan ook jarretels met vreemde sluitingen nodig hadden om de netkousen hoog te houden, wat naar het schijnt zelfs bij geestelijken enige vorm van opwinding veroorzaakt. Je zult begrijpen dat bij zo’n goddelijke voetballer ook een keurig gekapte kop hoort die de laatste modetrend verraadt. Gelukkig verbiedt het voetbalreglement het dragen van oorringen, piercings of andere ornamenten die eertijds alleen bij mannen van verborgen volksstammen in een ver continent werden aangetroffen, maar thans gemeengoed blijken te zijn bij modieuze mannen in onze gewesten.

Hoe stoer die voetballers zich ook voordoen, schijn bedriegt, want van zodra de bal aan het rollen gaat, volstaat een lichte aanraking door een tegenstrever om luid kermend, ernstig grimassend en opzichtig rollebollend het kunstgras op te zoeken. Die lichte aanraking zal soms zelfs, bij het zien van vertraagde beelden, volkomen ingebeeld blijken te zijn, wat de kerm, grimas en rollebol een diepere dimensie geeft. In menig voetballer blijkt een groots acteur verborgen. Commedia dell’arte, de kunst van de komedie, of zoiets. Theatraal is het alleszins altijd.

Maar het mooiste van de moderne voetballer is onmiskenbaar zijn juichgedrag na het scoren van een doelpunt. Wie de gehandschoende man voor schut zet en scoort, zet het op een rennen, alsof hij plots wordt achternagezeten door een leger malariamuggen. De ene holt tot aan de hoekschopvlag, waar hij halt houdt om er heupwiegend een mysterieuze dans in te zetten. De andere wil per se iets gaan duidelijk maken aan zijn coach, die ondertussen in zijn enclave met gebalde vuisten zijn emoties poogt te temmen, terwijl de assistenten nog aan het noteren zijn. Een enkeling zal zijn spurt besluiten met een glijpartij op beide knieën, kousen of geen kousen. Wie gevoelige knieën heeft en liever overeind blijft, kan na het scoren gewoon een hartje vormen met duimen en wijsvingers, gericht naar de tribune waar – zo mag ik hopen – zijn begeerlijke WAG net de verveling zat te verdrijven met het lakken van haar nagels. In de meeste gevallen eindigt dit ontsnappingsritueel toch in een gezamenlijke knuffel met de ploegmaats, de man met de handschoenen uitgezonderd, waarna zelfvoldaan en tergend traag teruggelopen wordt naar de eigen speelhelft. Wie scoort, richt, nauwelijks bekomen van de emotie en vol van zichzelf, nog even de ogen ten hemel, een wijsvingertje discreet in de aanslag. Sjonge! Goddelijk.

De stadionspeaker scandeert ondertussen de voornaam van de doelpuntenmaker. De supporters vullen luidkeels aan met de familienaam. Niemand die zich vergist. Les geleerd. Toch doet de stadionspeaker of hij het niet goed hoorde. Tot tweemaal toe herhalen. Gillen!

De wereldbeker voetbal 2022, die in een woestijnland werd gehouden waar er blijkbaar meer dirhams zijn dan zandkorrels, maakte nog maar eens duidelijk waarom ik van voetbal hou. Een eenarmige, getatoeëerde, kortbenige, linksvoetige voetballer werd er man van het toernooi. Dat zijn team wereldkampioen werd, dankte het aan god, zo wist hij na afloop van de finale met zekerheid te melden. U begrijpt dat onze (Rode) Duivels het dus nooit zullen halen, zelfs al zouden ze halfjaarlijks op teambuilding gaan naar Fatima, Lourdes of Scherpenheuvel. Alle landgenoten van “de kleine” bleken bij thuiskomst van het elftal stomdronken of knettergek, en heel waarschijnlijk zelfs een combinatie van beide. Roezen zijn meestal van korte duur en zorgen vaak voor een kater, maar de zowat 45 miljoen Argentijnen verkeerden duidelijk in de waan dat hun levenslot er plots veel beter uitzag. Ze vertoefden even in de tuin van Eden, iets waar de supporters van de Duivels al een poos vruchteloos naar hunkeren en wat nooit meer terugkomt, zo liet onze nationale nummer tien weten, zijn zakken vol zand.

De schier eindeloze voorbeschouwingen, tussen- en nabespiegelingen of commentaren van eminente voetbalkenners die ons bij elke wedstrijd in Qatar teisterden, liet ik wijselijk al na de eerste speeldag aan mij voorbijgaan. Want voetbal gaat nu eenmaal alleen om spelers, coaches, supporters en een bal op een rechthoekig speelveld.

Ik hou van voetbal.

Echt waar.

Stefaan Sonck
(stefaan.sonck@skynet.be)

Share.

About Author

Regelmatig publiceren we artikels van eenmalige gastschrijvers. Ook zin om een artikeltje te plegen? Neem contact op met info@dewitteduivel.com en bezorg ons jouw tekst.

Leave A Reply