De Poggio is al sinds 1960 de scherprechter in Milaan-Sanremo. Tadej Pogacar en Mathieu van der Poel vochten er vorig jaar een memorabel duel uit.
Op de top van de Poggio ligt een vermaard Italiaans restaurant. Het is de enige trekpleister in dit heuveldorpje van 700 inwoners. Op 364 dagen van het jaar hangt daar een haast gewijde stilte. Alleen op de dag van Milaan-Sanremo is dat anders. Dan wordt op de Poggio de eerste lenteklassieker in een beslissende plooi gelegd. De Poggio heeft een heilige status. Terwijl deze klim van 3,6 kilometer slechts 134 hoogtemeters overbrugt en het gemiddelde stijgingspercentage 3,7 procent bedraagt. Toch worden daar alle registers opengetrokken omdat de top van de Poggio op amper zes kilometer van de aankomst ligt.
De Poggio maakt al sinds 1960 deel uit van Milaan-Sanremo. Het was de bedoeling van de toenmalige organisator, de flamboyante Vincenzo Torriani, om de moeilijkheidsgraad van zijn wedstrijd te verhogen. Weken aan een stuk schuimde hij in zijn kleine Fiat het achterland van Sanremo af en ontdekte de Poggio. Daar werd Eddy Merckx geboren. Hij won Milaan-Sanremo zeven keer, het maakte hem niet uit waar hij zijn beslissende aanval plaatste: aan de voet van de klim, halverwege of net voor de top. Twee keer draaide hij zelfs de essentie van de Poggio om en gooide zich in de 3,3 kilometer lange afdaling, met negentien bochten, als een steen naar beneden. In 1969 daalde Merckx zo snel dat de motor van de RAI hem niet kon volgen.
Een kus op het asfalt
Na de afdaling van de Poggio en een kort, vlak stuk bereiken de renners de illustere Via Roma, nog een plaats die zijn bekendheid aan Milaan-Sanremo ontleent. Daar haalde Mathieu Van der Poel het in 2025 na een meesterlijke spurt tegen Filippo Ganna en Tadej Pogacar. Lang kwam het op de Via Roma tot een massaspurt, maar de Poggio heeft voor een natuurlijke selectie gezorgd.
Het oprijden van de Poggio geeft renners een onbeschrijflijk gevoel. De veelzijdige Fransman Laurent Jalabert legde een imponerende erelijst aan, maar plaatst zijn zege in Milaan-Sanremo, in 1995, boven alles. Toen Jalabert na de persconferentie op zijn fiets klom en naar de bus van de ploeg reed, stopte hij op een plaats waar bijna niemand stond. Hij kuste het asfalt.
De Via Roma is een brede winkelstraat waarvan er duizenden te vinden zijn. Ooit was daar de perszaal gevestigd. Niet in een hotel, maar in de kelder van een bank. Die was dusdanig bedwelmd door sigarettenrook dat je kleren er dagen naar roken. Nochtans was dit ooit, in de negentiende eeuw, een drukke plek waar de Europese adel van het keizerlijke hof kwam zonnebaden. Van die grandeur blijft niets over. De fraaie televisiebeelden, waarmee de aankomst in beeld wordt gebracht, ten spijt. Al had het wel iets iconisch toen destijds een compact peloton een bocht rond een fontein nam en dan de Via Roma opstormde.
Een leemte opvullen
Milaan-Sanremo ontbreekt nog op het palmares van Tadej Pogacar. Maar de vraag is of de Poggio voor hem lang en zwaar genoeg is om het verschil te maken. Net zoals de helling die een paar kilometer eerder ligt, de Cipressa, 5,6 kilometer lang met een gemiddelde stijging van 4,1 procent. De renners hebben al 270 kilometer in de benen als ze de klim van deze kustplaats bereiken. Nadien volgen er tien kilometer tot aan de voet van de Poggio.
Er tekent zich zaterdag, bij het begin van de lente, een nieuw duel af tussen Tadej Pogacar en Mathieu van der Poel. De Sloveen wil een leemte in zijn palmares opvullen, net zoals hij dat later wil doen met een zege in Parijs-Roubaix. Ook daar zal hij op Van der Poel stuiten. Intussen worden er nog altijd onzinnige vergelijkingen gemaakt tussen de wereldkampioen en Eddy Merckx. Met als steeds weerkerende vraag of Pogacar nu de grootste wielrenner aller tijden is. Terwijl tijdperken nooit te vergelijken zijn. Al hebben Merckx en Pogacar één zaak gemeen: hun onverzadigbare honger naar successen. En de epische nummers die ze daarbij opvoeren.
Maar het parcours van Milaan-Sanremo leent zich niet voor een lange solo-ontsnapping, zeker niet van favorieten. Daarvoor moet je al naar de prehistorie teruggaan. Naar 1908 bijvoorbeeld toen Cyrille Van Hauwaert, die de wielersport in Vlaanderen op de kaart zette, in erbarmelijke weersomstandigheden na een lange solotocht won. Heel even leek het nog mis te gaan toen een fanatieke bureelwachter de slagbomen dicht deed om Van Hauwaert op te houden. Die trok over de hindernis, tot grote woede van de stationschef die zijn pistool bovenhaalde. Maar de West-Vlaming liet zich niet intimideren en mepte de verbouwereerde man tegen de grond. Vervolgens zette hij zijn triomftocht verder.